HET ONFEILBARE WOORD VAN GOD. (1963)

 

DE STRIJD OVER HET BOEK, DE BIJBEL

Heel in het begin van de 20e eeuw deed een bekende Bijbelkenner de wijze voorspelling, dat de theologische strijd van de nieuwe eeuw “zich rondom de vesting van de waarde en de autoriteit van de Heilige Schrift zou afspelen”. Tragisch genoeg zitten wij thans in deze strijd. Vele ernstige aanvallen worden gedaan en vele vreemde stemmen verheffen zich tegen het eeuwige Woord van God.
Het Christendom kan niet bestaan, wanneer de Bijbel wordt ondermijnd. De Christelijke leer kan niet gedijen, wanneer de onfeilbaarheid van de Bijbel in twijfel wordt getrokken.
C.H. Spurgeon sprak zich hierover nadrukkelijk en vol ernst uit, toen hij zei: “Het keerpunt in de strijd tussen hen, die vasthouden aan het geloof, dat eens aan de heiligen werd gebracht en hun tegenstanders, is gelegen in de waarachtige en Goddelijk inspiratie van de Heilige Schrift. Dit is het Thermopylae van het Christendom. Wanneer wij in Gods Woord geen onfeilbare en vaststaande waarheid bezitten, bevinden wij ons op zee zonder kompas, en geen gevaar van en opkomende storm van buitenaf kan met het verlies van binnenuit worden vergeleken. Wanneer het fundament wordt weggenomen? Wat kan de rechtvaardige uitrichten? En dit is een verlies van de ergste soort, namelijk van een vaste grondslag”.
God zij dank, dat de hevige aanvallen van de 20e eeuw, noch de aanvallen van de voorafgaande eeuwen, de blijvende grootheid en onfeilbaarheid van de Bijbel teniet kunnen doen. “Van oudsher weet ik uit Uw getuigenissen, dat Gij ze voor eeuwig hebt vastgesteld” (Psalm 119:152).
Vanuit de rust van het geloof kunnen wij weigeren ons door de huidige ontkenning  van de Goddelijke oorsprong en de autoriteit van de Heilige Schrift van de wijs laten brengen. “Wie uit God is, hoort de woorden Gods; daarom hoort gij niet, omdat gij niet uit God zijt” (Johannes 8:47).
Nog geen honderd vijfentwintig jaar geleden waren er betrekkelijk weinig schriftelijke mededelingen, afgezien van de Bijbel, over de geschiedenis van de mensheid, de landen en de beschavingen.
De Griekse historicus Herodotus werd dikwijls aangehaald, maar zijn inlichtingen bleken in het algemeen nogal verward te zijn, ze waren met elkaar in tegenspraak en ongeloofwaardig. Door een unieke Goddelijke voorzienigheid zijn de dingen nu geheel anders, en wij staan thans in zekere zin in het brandpunt van de gebeurtenissen. De ontdekkingen van de moderne archeologie zijn eenvoudig verbluffend. Het is alsof Egyptenaren, Babyloniërs, Assyriërs en andere volkeren der oudheid door toverkracht hun geheimen hebben prijsgegeven. Uit hun verzonken paleizen, hun gedenktekens, hun gedurende lange tijd verborgen gebleven bibliotheken heeft zich een machtige stem verheven, die de twijfelaars op hun vingers tikt en een zeer krachtig getuigenis aflegt over de geloofwaardigheid van de Heilige Schrift.
Dr. Melvin Grove Kyle, een internationaal bekende archeoloog, heeft meer dan eens gezegd, dat geen enkele archeologische ontdekking in de laatste honderd jaar op de een of andere wijze ook maar één enkele verklaring in de Bijbel ongeldig heeft gemaakt. Integendeel, de opgravingen hebben op een opmerkelijke wijze de heilige Schrift bevestigd.
Dit is werkelijk een wonderbaar boek.

Eerste hoofdstuk

DIT WOORD IS BOVENNATUURLIJK.

I Korintiërs 2:9-14: "9 Maar, gelijk geschreven staat: Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen, al wat God heeft bereid voor degenen, die Hem liefhebben. 10 Want óns heeft God het geopenbaard door de Geest. Want de Geest doorzoekt alle dingen, zelfs de diepten Gods. 11 Wie toch onder de mensen weet, wat in een mens is, dan des mensen eigen geest, die in hem is? Zo weet ook niemand, wat in God is, dan de Geest Gods. 12 Wij nu hebben niet de geest der wereld ontvangen, maar de Geest uit God, opdat wij zouden weten, wat ons door God in genade geschonken is. 13 Hiervan spreken wij dan ook met woorden, die niet door menselijke wijsheid, maar door de Geest geleerd zijn, zodat wij het geestelijke met het geestelijke vergelijken. 14 Doch een ongeestelijk mens aanvaardt niet hetgeen van de Geest Gods is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan, omdat het slechts geestelijk te beoordelen is".

 

I Timotheüs 4:1: "Maar de Geest zegt nadrukkelijk, dat in latere tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, doordat zij dwaalgeesten en leringen van boze geesten volgen".

De Bijbel is een bovennatuurlijk boek. Het is Gods meest volmaakte boodschap aan de mensen. Er bestaat geen boek, dat de mens zou willen schrijven, wanneer hij het kon, omdat het hem zou veroordelen, of zou kunnen schrijven, als hij het wilde, omdat het zijn krachten te boven zou gaan. De Bijbel vertoont in zijn eigen aard zulk een oneindige mate van samenhang, kracht en hoogste volmaaktheid, dat hij voor zijn eigen geloofwaardigheid instaat. Hij draagt het onnavolgbare stempel van Zijn Goddelijke auteur. De Bijbel zelf maakt er aanspraak op, Gods Woord te zijn. “Spreekt de Heer”, luidt het steeds weer, ongeveer 1904 maal, door het gehele Oude Testament heen; in het Nieuwe Testament wordt deze uitspraak op overweldigende wijze bevestigd.
“Maar de Geest zegt nadrukkelijk” (I Timotheüs 4:1) is een woord, dat zeer juist op de gehele Bijbel zou kunnen worden toegepast. Het is Gods stem Die spreekt, niet alleen zodanig dat het Woord van Hem uitgaat, doch tevens vanuit het oogpunt bezien, dat het door Hem in Zijn eigen woorden tot uitdrukking is gebracht. God omhulde Zijn openbaring aan de mens, zoals Barnes opmerkt, “niet slechts door vage aanduidingen, door tekenen of schimmige beelden van de toekomst; het gebeurde integendeel op een openhartige en een eenvoudige manier, in zovele woorden”.
Op een belangrijke plaats in de Heilige schrift, namelijk in
I Korintiërs 2:9-14 worden wij in staat gesteld, het Woord als een bovennatuurlijke openbaring te zien (vers 10), gegeven door een bovennatuurlijke inspiratie (vers 13) en alleen te verstaan door bovennatuurlijke verlichting (verzen 11, 12, 14).
In vers 9 worden de drie organen van de natuurlijke menselijke waarneming genoemd. Dit zijn het “oog, het oor en het hart”, de drie kanalen door middel waarvan het leerproces plaatsvindt.
Als zodanig worden ze door de psychologie erkend. En toch worden ze door de apostel als bron of middel ter verwerving van de geestelijke waarheid, geheel en al afgewezen. Hij zegt, dat het niet door waarneming via het oog, het oor of het hart is gebeurd. Maar, dat dit de middelen zijn, waardoor de mens op natuurlijke wijze kan leren, hoe komt dan de kennis omtrent God tot ons?
Zij komt op bovennatuurlijke wijze, door Goddelijke openbaring. Paulus zegt hierover: “Want ons heeft God het geopenbaard door de Geest”. God gebruikte bepaalde mensen, profeten en apostelen genaamd, op een bijzondere manier en liet hun Zijn wil en Zijn woorden weten. Zij schreven het neer, “met woorden, die niet door menselijke wijsheid, maar door de Geest geleerd zijn, zodat wij het geestelijke met het geestelijke vergelijken” (vers 13).
Paulus wijst de algemene voorstelling van de hand, als zouden zij Gods gedachten in hun eigen woorden of door menselijke wetenschap neergeschreven hebben. Hij stelt integendeel vast, dat zij precies de woorden hebben neergeschreven, die de Heilige Geest hun ingaf. Zo is de Bijbel ontstaan. Deze Bijbel is tot op de huidige dag voor u en mij bewaard, opdat wij het zuivere Woord van God zouden bezitten.
Het zal ons niet verrassen, als de “natuurlijke mens” (de niet wedergeboren mens) de waarachtigheid en de betekenis van Gods boodschap niet begrijpt, en als hij zich zelfs verstout ze als Gods Woord te loochenen. Geestelijke waarheden worden niet langs de natuurlijke weg ontdekt, doch door verlichting van de Geest (vers 12). Om een menselijk wezen  te begrijpen, moet men de menselijke geest bezitten; evenzo heeft men, om God te verstaan, de Geest van God nodig (vers11). Dit is Gods wijze van werken. Wanneer een mens zijn eigen wijsheid loslaat, zich verootmoedigt en in kinderlijk geloof Christus als zijn Heiland aanneemt, vervult de Geest Gods ogenblikkelijk deze mens, en vanaf dit tijdstip is hij in staat, de dingen Gods op bovennatuurlijke wijze te begrijpen.
Dr. Arthur T. Pierson wijst er op, dat in het vijfde hoofdstuk van de Openbaring een levendige beschrijving van de autoriteit en de majesteit van de Heilige schrift te vinden is. Een boekrol, van buiten en van binnen beschreven, verzegeld met zeven zegels, is te zien in de rechterhand van Hem, Die op de troon zit en heeft deel aan Zijn  ondoorgrondelijke heerlijkheid. Hoe dit bijzondere boek ook wordt beschouwd, vast staat dat het Gods Woord is. Dit opmerkelijke hoofdstuk is uniek en laat zien, hoe God Zijn eigen boek beoordeelt. Samenvattend zien wij:
1. De onvergetelijke majesteit van de Heilige Schrift, een sterke engel, die met luide stem uitroept: “Wie is waardig de boekrol te openen…?”
2. Het ondoorgrondelijke geheim van de Schrift, geen schepsel, zelfs geen engel, is waardig de zegels te verbreken, de boekrol te openen of die in te zien.
3. De ondeelbare eenheid van het Boek en het Lam, het geschreven Woord en het levende Woord. Hij alleen is waardig en bij machte de boekrol te nemen en de zegels te verbreken.
4. De aan het boek ten grondslag liggen de bedoeling, verlossing door het Lam Gods, de Leeuw uit de stam van Juda, het Lam dat geslacht werd. Zijn bloed verlost. Hij maakt ons tot koningen en priesters. Hij geeft ons een nieuw lied.

Wordt vervolgd

Reacties

Populaire posts van deze blog

Inleiding