HET ONFEILBARE WOORD VAN GOD. (1963)
DE STRIJD
OVER HET BOEK, DE BIJBEL
Heel in het
begin van de 20e eeuw deed een bekende Bijbelkenner de wijze
voorspelling, dat de theologische strijd van de nieuwe eeuw “zich rondom de
vesting van de waarde en de autoriteit van de Heilige Schrift zou afspelen”.
Tragisch genoeg zitten wij thans in deze strijd. Vele ernstige aanvallen worden
gedaan en vele vreemde stemmen verheffen zich tegen het eeuwige Woord van God.
Het Christendom kan niet bestaan, wanneer de Bijbel wordt ondermijnd. De
Christelijke leer kan niet gedijen, wanneer de onfeilbaarheid van de Bijbel in
twijfel wordt getrokken.
C.H. Spurgeon sprak zich hierover nadrukkelijk en vol ernst uit, toen hij zei: “Het
keerpunt in de strijd tussen hen, die vasthouden aan het geloof, dat eens aan
de heiligen werd gebracht en hun tegenstanders, is gelegen in de waarachtige en
Goddelijk inspiratie van de Heilige Schrift. Dit is het Thermopylae van het
Christendom. Wanneer wij in Gods Woord geen onfeilbare en vaststaande waarheid
bezitten, bevinden wij ons op zee zonder kompas, en geen gevaar van en
opkomende storm van buitenaf kan met het verlies van binnenuit worden
vergeleken. Wanneer het fundament wordt weggenomen? Wat kan de rechtvaardige
uitrichten? En dit is een verlies van de ergste soort, namelijk van een vaste
grondslag”.
God zij dank, dat de hevige aanvallen van de 20e eeuw, noch de
aanvallen van de voorafgaande eeuwen, de blijvende grootheid en onfeilbaarheid
van de Bijbel teniet kunnen doen. “Van oudsher weet
ik uit Uw getuigenissen, dat Gij ze voor eeuwig hebt vastgesteld” (Psalm
119:152).
Vanuit de rust van het geloof kunnen wij weigeren ons door de huidige
ontkenning van de Goddelijke oorsprong
en de autoriteit van de Heilige Schrift van de wijs laten brengen. “Wie uit God is, hoort de woorden Gods; daarom hoort gij
niet, omdat gij niet uit God zijt” (Johannes 8:47).
Nog geen honderd vijfentwintig jaar geleden waren er betrekkelijk weinig
schriftelijke mededelingen, afgezien van de Bijbel, over de geschiedenis van de
mensheid, de landen en de beschavingen.
De Griekse historicus Herodotus werd dikwijls aangehaald, maar zijn
inlichtingen bleken in het algemeen nogal verward te zijn, ze waren met elkaar
in tegenspraak en ongeloofwaardig. Door een unieke Goddelijke voorzienigheid
zijn de dingen nu geheel anders, en wij staan thans in zekere zin in het
brandpunt van de gebeurtenissen. De ontdekkingen van de moderne archeologie
zijn eenvoudig verbluffend. Het is alsof Egyptenaren, Babyloniërs, Assyriërs en
andere volkeren der oudheid door toverkracht hun geheimen hebben prijsgegeven.
Uit hun verzonken paleizen, hun gedenktekens, hun gedurende lange tijd
verborgen gebleven bibliotheken heeft zich een machtige stem verheven, die de
twijfelaars op hun vingers tikt en een zeer krachtig getuigenis aflegt over de
geloofwaardigheid van de Heilige Schrift.
Dr. Melvin Grove Kyle, een internationaal bekende archeoloog, heeft meer dan
eens gezegd, dat geen enkele archeologische ontdekking in de laatste honderd
jaar op de een of andere wijze ook maar één enkele verklaring in de Bijbel
ongeldig heeft gemaakt. Integendeel, de opgravingen hebben op een opmerkelijke
wijze de heilige Schrift bevestigd.
Dit is werkelijk een wonderbaar boek.
Eerste
hoofdstuk
DIT WOORD IS
BOVENNATUURLIJK.
I Korintiërs
2:9-14: "9 Maar, gelijk geschreven staat:
Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart
is opgekomen, al wat God heeft bereid voor degenen, die Hem liefhebben. 10 Want
óns heeft God het geopenbaard door de Geest. Want de Geest doorzoekt alle
dingen, zelfs de diepten Gods. 11 Wie toch onder de mensen weet, wat in een
mens is, dan des mensen eigen geest, die in hem is? Zo weet ook niemand, wat in
God is, dan de Geest Gods. 12 Wij nu hebben niet de geest der wereld ontvangen,
maar de Geest uit God, opdat wij zouden weten, wat ons door God in genade
geschonken is. 13 Hiervan spreken wij dan ook met woorden, die niet door
menselijke wijsheid, maar door de Geest geleerd zijn, zodat wij het geestelijke
met het geestelijke vergelijken. 14 Doch een ongeestelijk mens aanvaardt niet
hetgeen van de Geest Gods is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet
verstaan, omdat het slechts geestelijk te beoordelen is".
I Timotheüs
4:1: "Maar de Geest zegt nadrukkelijk, dat
in latere tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, doordat zij
dwaalgeesten en leringen van boze geesten volgen".
“Maar de Geest zegt nadrukkelijk” (I Timotheüs 4:1) is een woord, dat zeer juist op de gehele Bijbel zou kunnen worden toegepast. Het is Gods stem Die spreekt, niet alleen zodanig dat het Woord van Hem uitgaat, doch tevens vanuit het oogpunt bezien, dat het door Hem in Zijn eigen woorden tot uitdrukking is gebracht. God omhulde Zijn openbaring aan de mens, zoals Barnes opmerkt, “niet slechts door vage aanduidingen, door tekenen of schimmige beelden van de toekomst; het gebeurde integendeel op een openhartige en een eenvoudige manier, in zovele woorden”.
Op een belangrijke plaats in de Heilige schrift, namelijk in
I Korintiërs 2:9-14 worden wij in staat gesteld, het Woord als een bovennatuurlijke openbaring te zien (vers 10), gegeven door een bovennatuurlijke inspiratie (vers 13) en alleen te verstaan door bovennatuurlijke verlichting (verzen 11, 12, 14).
In vers 9 worden de drie organen van de natuurlijke menselijke waarneming genoemd. Dit zijn het “oog, het oor en het hart”, de drie kanalen door middel waarvan het leerproces plaatsvindt.
Als zodanig worden ze door de psychologie erkend. En toch worden ze door de apostel als bron of middel ter verwerving van de geestelijke waarheid, geheel en al afgewezen. Hij zegt, dat het niet door waarneming via het oog, het oor of het hart is gebeurd. Maar, dat dit de middelen zijn, waardoor de mens op natuurlijke wijze kan leren, hoe komt dan de kennis omtrent God tot ons?
Zij komt op bovennatuurlijke wijze, door Goddelijke openbaring. Paulus zegt hierover: “Want ons heeft God het geopenbaard door de Geest”. God gebruikte bepaalde mensen, profeten en apostelen genaamd, op een bijzondere manier en liet hun Zijn wil en Zijn woorden weten. Zij schreven het neer, “met woorden, die niet door menselijke wijsheid, maar door de Geest geleerd zijn, zodat wij het geestelijke met het geestelijke vergelijken” (vers 13).
Paulus wijst de algemene voorstelling van de hand, als zouden zij Gods gedachten in hun eigen woorden of door menselijke wetenschap neergeschreven hebben. Hij stelt integendeel vast, dat zij precies de woorden hebben neergeschreven, die de Heilige Geest hun ingaf. Zo is de Bijbel ontstaan. Deze Bijbel is tot op de huidige dag voor u en mij bewaard, opdat wij het zuivere Woord van God zouden bezitten.
Het zal ons niet verrassen, als de “natuurlijke mens” (de niet wedergeboren mens) de waarachtigheid en de betekenis van Gods boodschap niet begrijpt, en als hij zich zelfs verstout ze als Gods Woord te loochenen. Geestelijke waarheden worden niet langs de natuurlijke weg ontdekt, doch door verlichting van de Geest (vers 12). Om een menselijk wezen te begrijpen, moet men de menselijke geest bezitten; evenzo heeft men, om God te verstaan, de Geest van God nodig (vers11). Dit is Gods wijze van werken. Wanneer een mens zijn eigen wijsheid loslaat, zich verootmoedigt en in kinderlijk geloof Christus als zijn Heiland aanneemt, vervult de Geest Gods ogenblikkelijk deze mens, en vanaf dit tijdstip is hij in staat, de dingen Gods op bovennatuurlijke wijze te begrijpen.
Dr. Arthur T. Pierson wijst er op, dat in het vijfde hoofdstuk van de Openbaring een levendige beschrijving van de autoriteit en de majesteit van de Heilige schrift te vinden is. Een boekrol, van buiten en van binnen beschreven, verzegeld met zeven zegels, is te zien in de rechterhand van Hem, Die op de troon zit en heeft deel aan Zijn ondoorgrondelijke heerlijkheid. Hoe dit bijzondere boek ook wordt beschouwd, vast staat dat het Gods Woord is. Dit opmerkelijke hoofdstuk is uniek en laat zien, hoe God Zijn eigen boek beoordeelt. Samenvattend zien wij:
1. De onvergetelijke majesteit van de Heilige Schrift, een sterke engel, die met luide stem uitroept: “Wie is waardig de boekrol te openen…?”
2. Het ondoorgrondelijke geheim van de Schrift, geen schepsel, zelfs geen engel, is waardig de zegels te verbreken, de boekrol te openen of die in te zien.
3. De ondeelbare eenheid van het Boek en het Lam, het geschreven Woord en het levende Woord. Hij alleen is waardig en bij machte de boekrol te nemen en de zegels te verbreken.
4. De aan het boek ten grondslag liggen de bedoeling, verlossing door het Lam Gods, de Leeuw uit de stam van Juda, het Lam dat geslacht werd. Zijn bloed verlost. Hij maakt ons tot koningen en priesters. Hij geeft ons een nieuw lied.
Tweede
hoofdstuk
DIT WOORD IS
BOVEN ALLES VERHEVEN.
Psalm 12:7: “De woorden des Heren zijn zuivere woorden,
gedegen zilver, in een smeltoven in de aarde zevenvoudig gelouterd”.
Psalm 92:6: “Hoe groot zijn uw werken, o Here; zeer diep zijn uw
gedachten”.
Psalm
119:128: “daarom houd ik al Uw bevelen in alles
voor recht,…”
Jesaja
55:8-9: “ 8 Want mijn gedachten zijn niet uw
gedachten en uw wegen zijn niet mijn wegen, luidt het woord des Heren. 9 Want
zoals de hemelen hoger zijn dan de aarde, zo zijn mijn wegen hoger dan uw wegen
en mijn gedachten dan uw gedachten”.
Jeremia 8:9:
“Hoe durft gij zeggen: Wij zijn wijs en de wet des
Heren is bij ons? Voorwaar, zie, bedrieglijk heeft de leugenpen der schrijvers
die vervaardigd!”
II Petrus
1:4: “ door deze zijn wij met kostbare en zeer
grote beloften begiftigd, opdat gij daardoor deel zoudt hebben aan de Goddelijke
natuur, ontkomen aan het verderf, dat door de begeerte in de wereld heerst”.
Gods eigen
beoordeling van Zijn Woord luidt, dat het verheven is. Zoals de hemelen hoger
zijn dan de aarde, zo zijn Zijn gedachten, Zijn woorden, Zijn wegen, hoger dan
die van de mens (Jesaja 55:8-9). Zijn Woord is van hoger oorsprong, grootser
van gedachte, rijker aan belofte, heerlijker aan schoonheid, voortreffelijk wat
het heilsplan aangaat, van grotere kracht, uitmuntend door zijn werking. Wij
zijn tevens onder de indruk van zijn grote eenvoud, van zijn onnavolgbare
beknoptheid, zijn ingetogen helderheid. De Bijbel fascineert het kind en
verrukt de wijze mens.
1. De verhevenheid van de Bijbel blijkt daaruit, dat Gods Woord de zuivere
waarheid is. Woorden van mensen bevatten waarheid, vermengd met dwaling. “De woorden des Heren
zijn zuivere woorden, gedegen zilver, in een smeltoven in de aarde zevenvoudig
gelouterd” (Psalm 12:7).
2. De
voortreffelijkheid van de Bijbel blijkt daaruit, dat de woorden van de Heilige
schrift absoluut juist zijn en altijd en overal gelden voor elk onderwerp, dat
zij aanroeren. De van Gods Geest vervulde psalmist spreekt: “Daarom houd ik al Uw bevelen in alles voor recht” (Psalm
119:128). “Te schande worden de wijzen, verslagen
en verstrikt! Zie, het Woord des Heren hebben zij verworpen, wat voor wijsheid
zouden zij dan hebben?” (Jeremia 8:9). “Zij
worden bedrogen en door hun eigen dwaasheid misleid; die zich te allen tijde
laten leren, zonder ooit tot de erkentenis der waarheid te kunnen komen”
(II Timotheüs 3:7).
3. De
voortreffelijkheid van de Bijbel blijkt daaruit, dat hij beloften bevat, die
hun oorsprong vinden in God en op Zijn macht berusten (II Petrus 1:4). “Zij gaan kostbare en zeer grote beloften te boven”,
niet alleen omdat zij de mens een nieuw leven binnenleiden en hem dan
innerlijke vrede brengen, doch omdat zij de ver reikende beloften van de
almachtige God zijn. Alle hulpbronnen van de almachtige God zijn toegankelijk,
met de bedoeling Zijn Woord gestand te doen. Hij zal hemel en aarde bewegen en
Zich haasten, Zijn Woord te vervullen. God zegt: “Maar
mijn goedertierenheid zal Ik hem niet onthouden, Mijn trouw zal Ik niet
verloochenen” (Psalm 89:34). Dit is geweldig. Geen woord van mensen
bevat zulk een verbazingwekkende belofte en zorg. De Bijbel beweegt zich op het
terrein van het bovennatuurlijke.
4. Zijn
grootheid blijkt uit zijn hoge volmaaktheid. de van de Geest vervulde schrijver
zelf verbaasde zich over zijn onmetelijke verhevenheid. “Hoe groot zijn Uw werken, o Here; zeer diep zijn Uw gedachten” (Psalm
92:6).
“O diepte van rijkdom, van wijsheid en van kennis
Gods, hoe ondoorgrondelijk zijn Zijn beschikkingen en hoe onnaspeurlijk Zijn
wegen!” (Romeinen 11:33).
“Als een telescoop reikt de Bijbel tot voorbij de sterren en dringt door in de
hoogten van de hemel en tot in de diepten van de hel. Als een microscoop
ontdekt hij de kleinste details van Gods plan en bedoeling, evenals de
verborgen dingen van het menselijk hart…Zover als de menselijke kennis reikt,
behandelt de Bijbel onbekende dingen even vrijmoedig als de bekende. Hij
spreekt met de grootste vrijmoedigheid en zekerheid over dingen, die alle
buiten de levens- en belangensfeer van de mens liggen”. (L.S. Chafer).
Dit zou een
mystieke onwerkelijkheid zijn, wanneer het niet diende, om aan te tonen, dat
inderdaad de Heilige Geest de Meesterauteur van dit Goddelijk boek is. Hij is
het, Die alles doorzoekt en ons dingen leert, die verheven en waar zijn. “De Geest doorzoekt alle dingen,” wordt ons
gezegd, “zelfs de diepten Gods” (I
Korintiërs 2:10). Dit woord “doorzoekt” geeft hier niet volledig de
oorspronkelijke betekenis van het woord weer. Daarmee wordt een zorgvuldig
en nauwkeurig onderzoek van geheime en verborgen dingen bedoeld. De Heilige
Geest heeft een diepgaande kennis van alle dingen, en daardoor is de wijsheid
uit het Woord, dat Hij ons geeft, volmaakt in alle dingen, alle wetten, alle
gebeurtenissen en in alle schepselen.
De zogenaamde heilige boeken van andere wereldreligies worden soms met de
Bijbel vergeleken; zo bijvoorbeeld de Koran van de islamieten, de Veda’s
(heilige geschriften) van de hindoes en de Avesta van het parsisme. Deze
geschriften zijn, zoals ieder weet, die ze heeft gelezen, voor het grootste
deel een wirwar van aantekeningen van uiteenlopende aard, die los bijeengevoegd
zijn, zonder enigerlei volgorde, zonder verband en zonder overeenstemming. Er
bestaat evenmin verband tussen de afzonderlijke gedeelten. De Koran
bijvoorbeeld, is in losse vorm bijeengebracht en hoofdzakelijk volgens de
lengte der hoofdstukken geordend. Wat zulke boeken ook aan “parels” van de
wijsheid Gods en aan eerbied mogen bevatten, toch is er, zoals elke
oordeelkundige lezer moet toegeven, geen echte vergelijking mogelijk tussen
deze heidense geschriften, ook niet in hun beste vorm, en de verzameling
boeken, die wij bij voorkeur als “Het Boek”, de Bijbel, aanduiden. De Bijbel
heeft samenhang, eenheid en betekenis, omdat het eeuwige plan Gods erin bekend
gemaakt wordt. Hij is een geordende openbaring van Gods wil en heeft de
persoonlijkheid van Jezus Christus als middelpunt. De Bijbel is gegeven tot
verlossing van de mensheid. Hij is een volledig afgeronde openbaring van de
Geest van de levende God. Hetzij dat hij nu als literatuur, als
geschiedenisboek of als een geestelijke boodschap wordt beschouwd, altijd toch
blijft de unieke verhevenheid van de Bijbel onvergankelijk bestaan.
De meeste gelovigen stemmen van harte in met de uitspraak van generaal Robert
E. Lee: “De Bijbel is een boek, vergeleken waarmee alle andere boeken in mijn
ogen van geringere betekenis zijn; een boek dat in al mijn moeilijkheden en
noden nooit in gebreke is gebleven mij licht en kracht te schenken”.
“8 De wet des Heren is volmaakt, zij verkwikt de
ziel; de getuigenis des Heren is betrouwbaar, zij schenkt wijsheid aan de
onverstandige. 9 De bevelen des Heren zijn waarachtig, zij verheugen het hart;
het gebod des Heren is louter, het verlicht de ogen. 10 De vreze des Heren is
rein, voor immer bestendig; de verordeningen des Heren zijn waarheid, altegader
rechtvaardig. 11 Kostelijker zijn zij dan goud, ja, dan veel fijn goud; en
zoeter dan honig, ja, dan honigzeem uit de raat” (Psalm 19:8-11).
DIT WOORD IS
SOUVEREIN
Psalm 138:2:
“ Ik zal mij nederbuigen naar uw heilige tempel
en uw naam prijzen om uw goedertierenheid en trouw, want Gij hebt, om uws grote
naams wil, uw toezegging heerlijk gemaakt”.
Jesaja
55:10-11: “ 10 Want zoals de regen en de sneeuw
van de hemel neerdaalt en daarheen niet weerkeert, maar doorvochtigt eerst de
aarde en maakt haar vruchtbaar en doet haar uitspruiten en geeft zaad aan de
zaaier en brood aan de eter, 11 alzo zal mijn Woord, dat uit Mijn mond uitgaat,
ook zijn; het zal niet ledig tot Mij wederkeren, maar het zal doen wat Mij
behaagt en dat volbrengen, waartoe Ik het zend”.
Lucas 4:36: “ En er kwam verbazing over allen en zij spraken erover
tot elkander en zeiden: Wat voor spreken is dit? Want Hij legt met gezag en
macht aan de onreine geesten Zijn bevelen op en zij varen uit”.
Johannes
17:17: “ Heilig hen in uw waarheid; uw woord is
de waarheid”.
Handelingen
17:11: “ en dezen onderscheidden zich gunstig
van die te Tessalonica, daar zij het Woord met alle bereidwilligheid aannamen
en dagelijks de Schriften nagingen, of deze dingen zo waren”.
Romeinen
4:3: “ Want wat zegt het Schriftwoord? Abraham
geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend”.
Waar is de
laatste en allerhoogste autoriteit met het oog op God, met het oog op de
eeuwigheid en met het oog op het leven te vinden?
1. Is de
allerhoogste autoriteit gelegen in de menselijke wijsheid, in het menselijk
verstand of geweten? Deze mening is zeer verbreid in de 21e eeuw
en wordt uitdrukkelijk door de neo-orthodoxe theologen ondersteund. Zij nemen
de leerstellingen van de Bijbel niet als de hoogste waarheid aan, doch kijken
naar de menselijke rede en de zogenaamde innerlijke verlichting door de Geest.
Alles wat zich aan hun innerlijk meedeelt, wordt daardoor tot de stem van God,
ook wanneer dit het tegengestelde is van hetgeen in de Bijbel staat. Hun eigen
verworven geestelijk inzicht heeft het hoogste gezag en niet het geschreven
Woord.
Kortom, dit plaatst de menselijke wijsheid en het menselijk verstand boven de
Bijbel.
2. Ligt
de allerhoogste autoriteit bij de kerk en haar traditie? Wij zouden geneigd
kunnen zijn, schertsenderwijs te vragen: “Welke kerk?”
Wanneer wij het Nieuwe Testament lezen, zien wij dat het niet de kerk was
(aangeduid als heilige gemeente van trouwe gelovigen in Christus en Zijn Woord),
doch de apostelen, die door Christus in hun ambt bevestigd werden, en eerst het
mondelinge en daarna het schriftelijke Woord brachten. De kerk gaf de mensen
geen apostolische of profetische macht, doch de kerk werd integendeel gebouwd
op het fundament van de apostelen en profeten (Efeziërs 2:20), aan wie het
geheimenis van Christus door de Geest geopenbaard was (Efeziërs 3:5).
Kerkelijke tradities houden nooit stand, ze zijn niet betrouwbar; doch hebben
altijd de neiging, in de loop der tijden te ontaarden en, zoals Christus Zelf
het betreurde, draagt de mens er de schuld van dat het Woord Gods krachteloos
wordt door traditie (Marcus 7:13).
3. Ligt
de allerhoogste autoriteit in het Woord, dat wij de Bijbel noemen? God
heeft aan deze geschriften Zijn alles omvattende, naar de eeuwigheid
heenwijzende autoriteit verleend, zoals de psalmist het bezingt, wanneer hij
zegt: “Want
Gij hebt, om Uws grote naams wil, Uw toezegging heerlijk gemaakt” (Psalm
138:2).
De vruchtbare uitwerking van de door God ingestelde orde in het rijk der
natuur, zoals planten en oogsten, dienen om de soevereine functie te belichten,
die Hij heeft toegewezen aan Zijn geschreven Woord bij de vervulling van Zijn
Goddelijk heilsplan op geestelijk terrein (Jesaja 55:10-11).
Wij willen
het menselijk verstand niet geringschatten; het neemt een belangrijke plaats
in. Doch het verstand, zoals overigens alle andere menselijke functies, werd
door de zonde bedorven en is niet geheel en al betrouwbaar. Menselijke wijsheid
en ondervinding, hoe hoog ook ontwikkeld, zullen nooit de plaats van de
allerhoogste autoriteit mogen innemen. Verstand doorvorst, onderzoekt,
overweegt, het buigt zich echter tevens voor het hogere licht van een
Goddelijke openbaring.
Waarheid is een eeuwig feit. Zij bestaat werkelijk, of wij dit aannemen of
niet. Onze Heer Jezus Christus bevestigt dit in Zijn Woord, dat niet mis te
verstaan is: “Heilig hen in Uw waarheid, Uw Woord
is de waarheid” (Johannes 17:17); of “De
Geest is het, Die levend maakt, het vlees doet geen nut; de woorden, die Ik tot
u gesproken heb, zijn geest en leven” (Johannes 6:63). De soevereine
betekenis van Zijn woorden werd beseft, toen Hij in Kapernaüm sprak: “en zij stonden versteld over Zijn leer, want Zijn Woord
was met gezag…En er kwam verbazing over allen en zij spraken erover tot
elkander en zeiden: “Wat voor spreken is dit? Want Hij legt met gezag en macht
aan de onreine geesten Zijn bevelen op en zij varen uit” (Lucas 4:32,
36). God wist, dat alleen mondelinge overlevering van de waarheid niet duurzaam
kon zijn, doch spoedig door een geweldige hoeveelheid tradities en
overgeleverde gewoonten en gebruiken overwoekerd en verdraaid zou worden;
daarom droeg Hij Zijn uitverkoren knechten op, de Goddelijke waarheid in een
boek te schrijven. Het Woord van Christus in majesteit vanaf de hemelse troon
gesproken, zou heel goed als motto boven de gehele Bijbel kunnen staan: “Schrijf, want deze woorden zijn getrouw en waarachtig” (Openbaring
21:5). Gods Woord alleen is getrouw en waarachtig, en Zijn woorden alleen
zijn alomvattend en voldoende. Tradities
neigen er bijna altijd toe, de waarheid te verstikken en de rooms-katholieke
kerk met haar traditionele eredienst, lijdt hieronder, zeker in belangrijke
mate wat de Bijbel betreft.
Het is zeer leerzaam, te bedenken, dat de gelovigen van de eerste Gemeente “niet alleen het Woord met alle breidwilligheid aannamen”
doch daaraan blijkbaar ook een plaats inruimden als hoogste autoriteit
en “dagelijks de Schriften nagingen, of deze dingen
zo waren” (Handelingen17:11). In hun zoeken naar de waarheid hielden zij
zich niet bezig met de beschouwingen van het menselijke verstand en ook niet
met de tradities en dogmata van de kerk, doch raadpleegden zij het geschreven
Woord Gods. “Want wat zegt het Schriftwoord” gold
als het hoogste gebod, en niet alleen onder de eenvoudige gelovigen, doch ook
bij de apostelen (Romeinen 4:3).
Vierde
hoofdstuk
DIT WOORD IS
EEN OPENBARING VAN GOD
Deuteronomium
29:29: “De verborgen dingen zijn voor de Here,
onze God, maar de geopenbaarde zijn voor ons en onze kinderen voor altijd,
opdat wij al de woorden dezer wet volbrengen”.
II Koningen
17:13: “De Here had Israël en Juda gewaarschuwd
door alle profeten, alle zieners: Bekeert u van uw boze wegen en onderhoudt
mijn geboden en inzettingen, volgens de gehele wet die Ik uw vaderen heb
geboden, en door mijn knechten, de profeten, u heb doen overbrengen”.
Handelingen
3:21: “Hem moest de hemel opnemen tot de tijden
van de wederoprichting aller dingen, waarvan God gesproken heeft bij monde van
zijn heilige profeten, van oudsher”.
Galaten
1:11-12: “ 12 Want ik maak u bekend, broeders,
dat het Evangelie, hetwelk door mij verkondigd is, niet is naar de mens. 12
Want ik heb het ook niet van een mens ontvangen of geleerd, maar door
openbaring van Jezus Christus”.
Efeziërs
3:3, 5: “ dat mij door openbaring het geheimenis
bekendgemaakt is, gelijk ik boven in het kort daarvan schreef…'dat ten tijde
van vroegere geslachten niet bekend is geworden aan de kinderen der mensen,
zoals het nu door de Geest geopenbaard is aan de heiligen, zijn apostelen en
profeten”.
Onder
openbaring wordt het werk van God verstaan, dat de waarheid Gods aan de mens meedeelt.
Een
diepgaande afkeer heerst in de wereld tegen de gedachte aan een Goddelijke
openbaring, en deze afkeer is in hoge mate verantwoordelijk voor dat menselijke
rationalisme dat de Heilige Schrift tracht weg te redeneren. Deze gaat terug
tot de “vader der leugen”, die als eerste de vraag opwierp: “God heeft zeker wel gezegd” (Genesis 3:1), met de
onzalige conclusie, dat God niet in staat is tot zulk een mededeling, of anders
gezegd, dat de waarachtigheid van Gods Woord twijfelachtig is.
Er wordt ons gezegd, dat er bepaalde gebieden van kennis bestaan, die God niet
voor onthulling heeft bestemd. “de verborgen dingen
zijn voor de Heer” (Deuteronomium 29:29). Maar Hij heeft Zich niet in
absoluut stilzwijgen gehuld. Hij heeft niet Zijn gehele raadsbesluit verborgen
gehouden! Bepaalde dingen heeft God “geopenbaard”. Datgene, wat God openbaar
liet worden, kan niet van ons weggenomen worden; “de
dingen, die geopenbaard zijn, behoren aan ons en onze kinderen voor eeuwig”. Noch
duivel, noch verordeningen van wereldheersers, of inzettingen van mensen zijn
in staat hen, die Zijn Woord hebben ontvangen, van deze waarheden te beroven.
Het is een stellige waarheid: “God heeft door de
mond van al Zijn heilige profeten gesproken” (Handelingen 3:21, II
Koningen 7:13, Mattheüs 22:31). God heeft Zich aan ons bekend gemaakt in de
geschreven openbaringen, geïnspireerd door de Heilige Geest (I Korintiërs
2:10). Gedurende heel het lange tijdperk van de geschiedenis der mensheid heeft
God ernaar gestreefd, Zich aan de mens op velerlei wijze te openbaren. Hij
heeft “Zich niet onbetuigd gelaten” (Handelingen
14:17).
God heeft zichzelf in de natuur geopenbaard en veroorlooft daarmee een
beperkte mate van waarneming, met het oog op Zijn macht en heerlijkheid (Psalm
19:1;
Romeinen 1:19-20).
God heeft Zich in Goddelijke voorzienigheid bekend gemaakt, met inbegrip
van wonderen en het behoud van alle dingen, en Gods plan en macht treden op
uitgebreide schaal en op verschillende wijze aan de dag, evenals de bijzondere
zorg, die Hij voor de Zijnen heeft (Deuteronomium 30:1-10;
Daniël 2:31-45; Romeinen 8:28). “.. door wél te
doen, door u van de hemel regen en vruchtbare tijden te geven en aan uw harten
overvloed van spijs en vrolijkheid te schenken” (Handelingen14:17).
God heeft zich geopenbaard door rechtstreekse mededeling, zoals door
middel van dromen en visioenen en zelfs in het zeer vertrouwelijke gesprek van
mond tot mond, zoals bij Mozes (Numeri 12:8). Er waren nog anderen, tot wie God
rechtstreeks sprak; zo bijvoorbeeld tot Paulus, die belijdt dat het Evangelie
dat hij predikt niet menselijk is; dat hij noch van een mens heeft ontvangen
noch geleerd, “maar door openbaring van Jezus
Christus” (Galaten 1:11-12).
God heeft Zichzelf in de menswording van Jezus Christus geopenbaard, en
heeft daarmee zeer duidelijk Zijn wonderbaarlijk Goddelijk Wezen, Zijn
heerlijke verlossingswerk en de oneindige diepte van Zijn liefde en genade
getoond.
God heeft Zich door de Heilige Schrift geopenbaard, die door de Heilige Geest
en door onze Here Jezus Christus ten volle is bekrachtigd. De Heilige schrift
vertolkt in geschreven vorm de openbaring, die de natuur en de Goddelijke
voorzienigheid aan alle mensengeslachten ten deel doet vallen en geeft een
juiste en aan zijn doel beantwoordende weergave van de Goddelijke wonderen.
Dienovereenkomstig zijn het leven en sterven en Christus, ofschoon dit
onweerlegbare historische feiten zijn, in een geautoriseerd getuigenis vermeld,
dat God ten aanzien van Zijn Zoon aflegde (I Johannes 5:9-12). De Heilige Geest
geeft de zuivere inhoud, onvervalst en onuitwisbaar, van dàt Goddelijk geheim,
dat rechtstreeks is geopenbaard “aan de heiligen,
zijn apostelen, door de Geest” (Efeziërs 3:3-5).
Waarheid, heerlijke waarheid, ondoorgrondelijk voor de hoogste menselijke
wijsheid en macht, wordt ons door Goddelijke openbaring onthuld en voor ons in
de Heilige Schrift bewaard.
Alle andere religies hebben hun geschriften, die slechts uitdrukking van de
menselijke geest zijn; het Christendom bezit zijn eigen boek, de Bijbel, die
een Goddelijke openbaring is. Hij is het werk van God, ook wanneer Hij door de
profeet Hosea spreekt: “En Ik zal tot de profeten
spreken en Ik zal veel gezichten geven, en door de dienst van profeten zal Ik
in gelijkenissen spreken” (Hosea 12:11). Door de voortreffelijkheid van
zijn samenhangende boodschap, door de unieke ontwikkeling gedurende een periode
van 1600 jaar, is de Bijbel datgene, wat hij zegt te zijn, namelijk het werk en
het Woord van God.
Vijfde
hoofdstuk
DIT WOORD
ONTSTOND DOOR INSPIRATIE VAN GOD
Exodus 4:12:
“Nu dan, ga heen. Ik zal met uw mond zijn en u
leren, wat gij spreken moet.”
Jesaja
59:21: “En wat Mij aangaat, dit is Mijn verbond met
hen, zegt de Here. Mijn Geest, Die op u is, en Mijn woorden, die Ik in uw mond
gelegd heb, zullen niet wijken uit uw mond noch uit de mond van uw kroost, noch
uit de mond van het kroost van uw kroost, zegt de Here, van nu aan tot in
eeuwigheid.”
Jeremia 1:9:
“Toen strekte de Here zijn hand uit en roerde mijn
mond aan, en de Here zeide tot mij: Zie, Ik leg mijn woorden in uw mond;”
II Timotheüs
3:16: “Elk van God ingegeven Schriftwoord is ook
nuttig om te onderrichten, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de
gerechtigheid.”
II Petrus
1:19-21: “En wij achten het profetische woord
(daarom) des te vaster, en gij doet wèl, er acht op te geven als op een lamp,
die schijnt in een duistere plaats, totdat de dag aanbreekt en de morgenster
opgaat in uw harten. 20 Dit moet gij vooral weten, dat geen profetie der
Schrift een eigenmachtige uitlegging toelaat; 21 want nooit is profetie
voortgekomen uit de wil van een mens, maar, door de Heilige Geest gedreven,
hebben mensen van Godswege gesproken.”
Goddelijke
inspiratie is dìe invloed van God, welke een juiste weergave van de waarheid
tot gevolg heeft,
waarbij de behandelde gedachten, de woorden en waarheden worden verklaard als
geheel van God afkomstig, en daarom volmaakt onfeilbaar.
De beide belangrijkste plaatsen in de Bijbel, die de bijzondere aanspraak op
Goddelijke inspiratie tot uitdrukking brengen, zijn II Timotheüs 3:16 en II
Petrus 1:21. Het eerste woord luidt: “Elk van God
geven Schriftwoord…”. Wanneer wij hier de Griekse oorspronkelijke tekst
van het Nieuwe testament in plaats van de Latijnse vertaling (Vulgata) aanhalen
(die abusievelijk aan de meeste vertalingen ten grondslag ligt), dan zien wij,
dat het woord ‘theopneustos” letterlijk vertaald, het volgende uitdrukt: “Alle
Schrift is door God “geademd”. Dit beslissende woord “Godgeademd”
(theopneustos), dat slechts één maal in het Nieuwe testament voorkomt, en dat
in het Griekse taalgebruik helemaal niet bestaat, schijnt door God speciaal voor
Zijn heiligste plan gevormd te zijn, namelijk om ons uiterst nauwkeurig te
onderrichten hoe het Woord van God in de menselijke taal overgebracht werd.
De befaamde oudtestamentische Bijbelvorser B.B. Warfield merkt in dit verband
op, dat de Griekse uitdrukking theopneustos niets van doen heeft met het
begrip “inspireren” of “inspiratie”.
Het drukt slechts “ademen” of “ademtocht” uit. dat het “door God er-in-geademd”
is of het product van “Goddelijk ademen in” Zijn menselijke schrijvers, doch,
dat het door God is uitgeademd, “Godgeademd”, dus het product van de scheppende
adem van God. In het kort gezegd, hetgeen hier op deze uiterst belangrijke
plaats wordt uitgedrukt, is heel eenvoudig dit, dat de Schriften een Goddelijk
werk zijn, zonder enigerlei aanduiding, hoe God daarbij te werk ging.
In een belangrijke hieraan parallel lopende, passage, t.w. Psalm 33:6, kunnen
wij zien, hoe de woorden “de adem van Zijn mond”
in het bijzonder de krachtige scheppingsdaad van God bij de creatie van het
heelal beschrijft. Gods adem is uitdrukking van Zijn scheppende kracht. Dan is
echter de Bijbel niet van menselijke oorsprong, doch duidelijk het product van
een Goddelijke activiteit, “van de adem van God”, evenals de heerscharen des
hemels het product van Zijn “adem” zijn.
Goddelijke inspiratie van de Schriften omvat niet alleen abstracte begrippen of
gedachten, doch is tevens toereikend voor een absoluut concrete keus van de
gebruikte woorden , alsook voor een nauwkeurige karakterisering van de
zakelijke inhoud. Bisschop Westcott merkte op, dat “gedachten gekoppeld aan
woorden even noodzakelijk zijn, als de ziel gebonden is aan het lichaam”.
Dan omvat de inspiratie noodzakelijkerwijs allebei. God sprak tot Mozes de
veelbetekenende woorden: “Ik zal met uw mond zijn
en u leren, wat gij spreken moet” (Exodus 4:12) en nog duidelijker sprak
Hij tot Jeremia: “Zie, ik leg Mijn woorden in uw
mond” (Jeremia 1:9). Alle leerstellingen over Goddelijke inspiratie van
de heilige Schrift, die de keuze van de woorden aan de menselijke schrijvers
toewijzen, verloochenen tegelijk de werking van de Goddelijke Geest. De apostel
Paulus vermaant ons met grote nadruk dat deze openbaring ons door God werd
overbracht, “met woorden, die niet door menselijke
wijsheid, maar door de Geest geleerd zijn”
(I Korintiërs 2:13). Wij dienen er echter acht op te slaan, dat dit betrekking
heeft op de gehele Schrift.
Dit is bekend als de woordelijke, volledige inspiratie en betekent, dat
de Heilige Geest, bij de keuze van de in de oorspronkelijke tekst gebruikte
woorden, leiding gaf en dat deze inspiratie zich tot elk gedeelte van de Bijbel
uitstrekt (“volledig” van het Latijnse plenus = “vol”).
“De Bijbel zelf maakt er aanspraak op, dat in de originele perkamentrollen elke
zin, ieder woord, elke regel, evenals elk teken, punt en pennenstreek, de
kleinste tittel of jota op zijn plaats staat, geheel en al in overeenstemming
met de Goddelijke bedoeling en wil. Bijgevolg bewerkte de Almachtige en
Alwetende God, dat de boodschap in de vorm van een nauwkeurige weergave van
Zijn Woord werd gebracht. De originele tekst was niet alleen Goddelijk naar
zijn oorsprong, doch tevens van een oneindige volmaaktheid naar de vorm” (L. S.
Chafer).
De Bijbel is niet alleen een boek vol wonderen, hij is tevens uniek, voor zover
hij het resultaat van een dubbel auteurschap is, namelijk menselijk en
Goddelijk, echter in een zodanige vorm, dat beide in hun bewuste,
verstandelijke en openhartige eigen
geaardheid niet met elkaar in
tegenspraak komen. De menselijke eigenschappen van de geheiligde schrijvers
werden niet verdrongen of verkleind, doch werden als spreekbuis van God
gebruikt bij het neerschrijven van de boodschap, die tevens het stempel van Zijn
Goddelijk oorsprong moest dragen. Wij erkennen, dat dit behoort tot het gebied
van het Goddelijk mysterie. Wij kunnen het niet verklaren, weten echter, dat
het waar is. Bekijken wij bijvoorbeeld Psalm 51: Wij geloven dat de Heilige
Geest elk woord heeft gekozen, wij zien echter ook, dat dit de hartenkreet van
Davids belijdenis is. Dit sluit dicteren uit, evenals de oppervlakkige
theorie, volgens welke de profeten en apostelen min of meer als schrijvers
zouden hebben gefungeerd. . Met uitzondering van slechts enkele gedeelten,
zoals bijvoorbeeld de Tien Geboden, die God Zelf op de stenen tafelen schreef
(Exodus 32:16), kon de Bijbel helemaal niet gedicteerd zijn, hij bevat immers
de gebeden en de lofzangen, alsook uitingen van vrees en overwinning, dus
gevoelens en verlangens van de mensen, die God voor het schrijven van de Bijbel
gebruikte.
De tweede belangrijkste Bijbelplaats, II Petrus 1:21, werpt nog meer licht op
dit punt: “Want nooit is profetie voortgekomen uit
de wil van een mens, maar, door de heilige Geest gedreven, hebben mensen van
Godswege gesproken”. Allereerst wordt heel nauwkeurig vastgesteld, dat
de Schrift haar oorsprong niet aan menselijk initiatief heeft te danken. Dan
volgt de even nadrukkelijke verzekering, dat, hoewel het door mensen werd
gesproken, ze van “Godswege” spraken, daar ze door de Heilige Geest mede
gedragen waren. Als door een schip meegedragen en door Zijn macht gedreven
overeenkomstig het Griekse woord “phero” (dragen, opnemen), hebben mensen van
Godswege gesproken. Ze werden door de Heilige Geest “opgenomen” als een
passagier, die echter zijn plaats kan kiezen. Evenals de passagier zich op het
schip vrij kan bewegen, zo konden ook de geheiligde schrijvers hun eigen
krachten en karakters vrij ontvouwen. De profeten en apostelen waren echte
auteurs, die geheel door de Heilige Geest werden “opgenomen”. Hij gebruikt hun
vorming, hun emoties, hun taal, hun mond, hun gedachten, niet als dode
instrumenten, doch als denkende, levende en over een vrije wil beschikkende
wezens. En het wonder ervan is, dat de dingen, die zij onder de leiding van de
Heilige Geest spraken, geheel en al Goddelijk en onfeilbaar waren.
Reacties
Een reactie posten