BESTEMD
VOOR DE
TROON
EEN OPMERKELIJK PERSPECTIEF OP DE EEUWIGE BESTEMMING VAN CHRISTUS’ GEMEENTE.
Inleiding
De hierna volgende hoofdstukken bevatten wat men een
volkomen nieuwe, unieke kosmologie – leer over de kosmos – zou kunnen noemen.
Het enige doel van het universum van
alle eeuwen her is: het werven en voorbereiden van een eeuwige partner voor de
Zoon, de Bruid, de vrouw van het Lam van God. Omdat zij met haar Goddelijke
geliefde en Heer, als rechtens Zijn gelijke, de troon van het universum zal
delen, moet zij getraind, opgevoed en voorbereid worden voor har koninklijke
taak.
Omdat de kroon alleen gegeven wordt aan overwinnaars (Openbaring 3:21: “Wie overwint, hem zal Ik geven met Mij te zitten op mijn
troon, gelijk ook Ik heb overwonnen en gezeten ben met mijn Vader op zijn
troon”), moet de Gemeente (die later de Bruid zal worden) de kunst van
de geestelijke oorlogsvoering leren door het overwinnen van boze machten.
Alleen zo kan ze zich voorbereiden om na het bruiloftsmaal van het Lam op de
troon plaats te kunnen nemen. Om haar in staat te stellen de techniek van het
overwinnen te leren heeft God het oneindige wijze leerplan van het gelovige
gebed ontworpen. Hij heeft niet in de eerste plaats gebed voorgeschreven als
een manier om bepaalde dingen gedaan te krijgen. Het is Zijn manier om de
Gemeente daarmee te oefenen in het overwinnen van de aan God vijandige machten.
Deze wereld is een werkplaats, waarin zij die bestemd zijn voor de troon, in de
werkelijke praktijk leren, hoe zij satan en zijn heerschappij kunnen
overwinnen.
De gebedskamer is de plaats, waar de overwinnaars gevormd worden.
Dit betekent dat de verloste mens een hogere positie bekleedt dan alle
andere schepselen in het universum. Engelen zijn geschapen, niet verwekt. De
verloste mens is zowel geschapen als verwekt, geboren uit God. Zijn erfelijke
eigenschappen dragend. Door de wedergeboorte wordt iemand die verlost is, een
werkelijk lid van de oorspronkelijke kosmische familie “nauw verwant” aan de
Drie-eenheid.
Omdat de Gemeente met Christus is opgestaan en ten hemel is opgevaren, heeft
zij haar wettige plaats op de troon nu reeds ingenomen. Door het gebruik van
haar wapens van gebed en geloof houdt zij in deze onrustige, verwarde tijd de
machten in de wereld in evenwicht. Ondanks al haar jammerlijke zwakheid, haar
ontstellende gebreken en haar niet te verontschuldigen tekortkomingen, is de
Gemeente de sterkste kracht ten behoeve van de beschaving en het verlicht
sociaal bewustzijn in de wereld van vandaag. De enige kracht, die strijdt tegen
de totale overheersing van satan in de menselijke samenleving is de Gemeente
van de levende God. Als er geen tegenstand aan satan geboden werd, als hij niet
in bedwang gehouden werd door de door de Heilige Geest geïnspireerde gebeden en
de geheiligde levens van Gods volk, dan “zou de ellende zich hemelhoog
opstapelen en de aarde niet meer dan een onvruchtbaar stoppelveld zijn”.
“Gij zijt het zout der aarde…gij zijt het licht der
wereld” (Mattheüs 5:13-14). Als de Gemeente niet haar reinigende en
behoudende invloed op aarde zou uitoefenen, zou het hele bouwsel dat wij
“beschaving” noemen, volkomen uiteenvallen, vermolmen en verdwijnen. Het feit,
dat de sociale orde bewaard gebleven is voor een volkomen ineenstorting, ook al
gaat satan op zijn ergst tekeer, bewijst, dat tenminste een overblijfsel van de
Gemeente effectief functioneert en reeds begonnen is met het uitoefenen van
haar heerschappij, in eenheid met haar levende Heer. Daarom is zij zelfs nu al
dank zij de wapens van gebed en geloof, bezig geoefend te worden voor de taak
die zij zal krijgen om, na de uiteindelijke vernietiging van satan, met
Christus over het gehele universum te heersen.
Dankzij het gelovig gebruik van het gebed houdt de Gemeente de machten in
evenwicht, niet alleen in de aangelegenheden van de wereld, maar ook bij de
redding van enkelingen. Zonder dat we inbreuk maken op de eigen morele
verantwoordelijkheid van een persoon kan de Gemeente door volhardende, gelovige
voorbede de Geest van God zó de ruimte geven in het hart van iemand, dat die
gemakkelijker zwicht voor de tere aandrang van de Geest en redding ontvangt dan
dat hij volhardt in zijn verzet daartegen.
God zal niet buiten de Gemeente om handelen, omdat Zijn plan dan niet ten volle
tot ontplooiing zou komen, namelijk haar tot volle wasdom te brengen, zodat zij
met de Zoon zal kunnen heersen. Daarom zal Hij zonder haar niets doen. John
Wesley zegt dit zo: “God doet niets tenzij in antwoord op gebed”.
Met de bedoeling de Gemeente in staat te stellen satan te overwinnen, kwam God
in de loop van de geschiedenis van de mensheid binnen door de vleeswording. Als
niet gevallen Mens heeft Hij satan zowel wettelijk als krachtdadig overwonnen
en buiten spel gezet. Zijn gehele verlossingswerk heeft Hij ter wille van de
Gemeente verricht. Hij is als “hoofd boven al wat
is, gegeven aan de Gemeente” (Efeziërs 1:22). Door Zijn overwinning over
satan is de Gemeente Zijn gevolmachtigde geworden. Ofschoon Christus een
volledige, volkomen triomf over satan behaald heeft, geeft God hem nog ruimte
om een guerrilla-oorlog te voeren. God zou volkomen met satan kunnen afrekenen,
maar Hij heft besloten hem te gebruiken om de Gemeente in het overwinnen te
oefenen. Gebed is niet God smeken iets te doen, wat Hij liever niet doen wil.
Het is niet God vermurwen, maar de kracht van Christus over satan kracht
bijzetten. Het is het op aarde uitvoeren van de beslissingen, die in de hemel
betreffende de menselijke aangelegenheden genomen zijn.
Op Golgotha werd satan wettelijk teniet gedaan en werden al zijn aanspraken
vervallen verklaard. God heeft de handhaving van de overwinning op Golgotha in
handen van de Gemeente gelegd (Mattheüs 18:18; Lucas 10:17-19). Hij heeft haar
volmacht gegeven. Zij is Zijn vertegenwoordigster. Maar dit afgeleide gezag kan
niet functioneren zonder de gebeden van een gelovige Gemeente. Dus vinden we
daar altijd gebed waar echt iets gebeurt. Elke Gemeente zonder een goed
georganiseerd, systematisch opgezet gebedsplan houdt slechts een godsdienstige
tredmolen aan het draaien.
Een gebedsplan zonder geloof is krachteloos. Het ontbrekende element dat
noodzakelijk is om aan zegevierend gebed kracht te verlenen, waardoor satan
gebonden en uitgeworpen wordt, is overwinnend geloof. En het ontbrekende
element dat noodzakelijk is om aan overwinnend geloof kracht te verlenen, is
lofprijzing, voortdurende doelgerichte, strijdlustige lofprijzing.
Lofprijzing is de hoogste vorm van gebed, omdat zij geloof verbindt aan de
smeekbede. Lofprijzing is de ontstekingsvonk van het geloof. Zij is het enige
wat nodig is om het geloof los te maken van de aarde, waardoor het opstijgt
boven de dodelijke luchtvervuiling van de twijfel. Lofprijzing is het
zuiveringsmiddel, waardoor het geloof gereinigd wordt en de twijfel uit ons
hart verdwijnt. Het geheim van verhoord gebed is geloof zonder twijfel (Marcus
11:23). En het geheim van geloof-zonder-twijfel is lofprijzing, triomferende
lofprijzing, ononderbroken lofprijzing, de lofprijzing als een manier van
leven. Dit is de oplossing van een dood geloof en onvruchtbaar gebed.
Het geheim van succes in het overwinnen van satan en zich bekwamen voor de
troon is een geconcentreerd plan van vruchtbaar gebed. En het geheim van
vruchtbaar gebed is een geconcentreerd plan van lofprijzing.
1
HET UITEINDELIJKE DOEL VAN HET UNIVERSUM: DE GEMEENTE
God is de Heer van de geschiedenis
Er zijn weinig historici die enig begrip hebben van de
betekenis en het doel van de geschiedenis. Zij zijn misschien wel in staat de
personen en gebeurtenissen, die naar men zegt het ruwe materiaal vormen, te
beschrijven en in een systeem vast te leggen, maar zij hebben eigenlijk geen
sleutel om de betekenis ervan te verklaren. De wordt door enkele bekende
historici zelf toegegeven. G.N. Clark, bijvoorbeeld, zei in zijn inaugurele
rede in Cambridge: “Er valt geen geheim en geen plan in de geschiedenis te ontdekken”.
André Maurois, Frans biograaf, criticus en romanschrijver beweert: “Het
universum is zinloos. Wie heeft het geschapen? Waarom zijn wij hier op deze
nietige klomp klei, rondtollend in een oneindige ruimte? Ik heb er niet het
flauwste idee van en ben er absoluut van overtuigd, dat niemand dat heeft…”.
Andere gezaghebbende personen, die misschien minder cru zijn in hun oordeel,
tasten evenzeer in het duister over het doel en de motieven van de
gebeurtenissen en personen, die zij vermelden en beschrijven.
‘Het bestaan’ – een ondoorgrondelijk mysterie voor het
antieke denken
De oude Grieken
beschouwden de geschiedenis als een cirkel of een cyclus, die zichzelf
voortdurend herhaalt en zich daarom niet in een bepaalde richting beweegt. Zij
komt dus nooit tot een zichtbare bestemming en heeft ook geen herkenbaar doel.
Voor hen was het bestaan een ondoorgrondelijk mysterie. En dit is de filosofie
die door de meeste moderne wereldse geschiedschrijvers wordt aangehangen en
uiteengezet. Zij weten niet wat ze met het bestaan aan moeten. Voor hen en voor
velen in de wereld in het algemeen, bestaat de geschiedenis alleen maar uit de
ene zinloze crisis na de andere, en heeft zij geen doelen geen redelijk
oogmerk. Ze zien geen zin voor het bestaan van een redelijk denkende mensheid.
Zij weten niet waar we vandaan komen of waar we heen gaan. Het hele bestaan is
een onmetelijk, groot, onbegrijpelijk raadsel. Hun beschouwing van de
geschiedenis is een filosofie van onwetendheid, frustratie en wanhoop.
Het universum - voor de moderne mens doelloos
In de moderne tijd werd deze filosofie populair door
Jean-Paul Sartre. Hij leerde, dat ieder mens in een waterdichte ruimte leeft
als een geïsoleerd individu in een doelloos universum. Omdat we niet kunnen
weten, wie we zijn, waar we vandaan komen, of waar we heengaan, en omdat we het
verleden niet begrijpen en geen hoop voor de toekomst hebben, is het enige wat
belangrijk is, het leven nú in al zijn hevigheid te beleven. Alleen datgene wat
we op dit moment kunnen verwerkelijken is van belang en heeft betekenis. Een
hoge bestemming in 't verschiet heeft geen zin. Daarom is het opgeven van het
heden te wille van de toekomst onzinnig en dwaas. Uit deze filosofie stamt het
denken van de "Nu-generatie", de generatie die niet kan wachten. Het
genot van het ogenblik is het enig redelijke doel van het bestaan. "Laten we eten en drinken, want morgen sterven
wij" (I Korintiërs 15:32).
Een hele generatie studenten werd doordrenkt met deze
bestaansfilosofie van onbelemmerde vrijheid, doelloosheid en wanhoop. Ze moest
wel komen tot uitbarstingen van revolutionair geweld, brandstichting en
plundering, en zo dood en verderf zaaien in steden, op universiteiten in het
hele land en over de hele wereld. Zomaar ineens kwam er in de samenleving een
explosie van wetteloosheid en misdaad, rellen en doodslag, en de waanzin van de
drug-cultuur. Dit was het resultaat van de filosofie van de zinloosheid van het
verleden en de hopeloosheid van de toekomst. (1)
De Bijbel - de enig betrouwbare bron
De doorsnee-historicus heeft geen sleutel tot de
verklaring van de geschiedenis, omdat hij de enig onfeilbare bron, de Bijbel,
negeert. Voor de meeste mensen, geschiedschrijvers incluis, eist, in welke eeuw
of periode dan ook, die politieke eenheid of staat de meeste aandacht op, die
het grootste aantal inwoners heeft, de grootste oppervlakte beslaat, de beste
materiële hulpbronnen bezit en op de grootste en sterkste militaire macht kan
bogen. Voor de meesten van ons bestaat geschiedkunde uit de beschrijving van de
rol, die de leiders der grootmachten in het verleden gespeeld hebben. Daarom
lijkt het erop, dat mannen als de Farao's, Nebukadnezar, Alexander de Grote,
Caesar, Karel de Grote en Napoleon in werkelijkheid de geschiedenis hebben
gemaakt. Deze stichters van keizerrijken en hun volgelingen beschouwden
zichzelf als de bouwmeesters van de geschiedenis en de beeldhouwers van het lot
der mensheid. Zij geloofden de makers van de geschiedenis te zijn en de loop
van de gebeurtenissen te kunnen bepalen.
Golgotha - het werkelijke middelpunt van de geschiedenis
Maar de wereld in het algemeen en de geschiedkundigen in
het bijzonder, hebben de plank volkomen misgeslagen. Er is namelijk maar één
zinvolle opvatting van de geschiedenis en dat is die van de Bijbel. (2)
Het middelpunt van de geschiedenis wordt niet vastgesteld
door grote keizerrijken zoals Egypte, Babylonië, Griekenland of Rome, noch door
hun moderne tegenhangers zoals Rusland, China, de Verenigde Staten van Amerika
of welke andere toekomstige macht ook. Om de kern van de geschiedenis te
vinden, moet men aan al deze wereldrijken en klinkende namen voorbijgaan en
zijn weg zoeken naar een nietig landje (Israël), dat de navel van de aarde
genoemd wordt; geografisch middelpunt van de aarde. En in dat kleine land ligt
een kleine heuvel, die Golgotha heet, waar 2000 jaar geleden een mens, Jezus
genaamd, aan een kruis werd geslagen om te sterven. Ik wil in alle
bescheidenheid opmerken, dat die kleine heuvel in dat kleine land, het
middelpunt is van de hele geschiedenis, niet alleen van deze wereld, maar ook
van de ontelbare melkwegstelsels in de oneindige kosmos, van eeuwigheid tot
eeuwigheid.
De Gemeente - het centrale onderwerp en doel van de
geschiedenis
De Man, Die bloedend aan het kruis hing, beschimpt en
bespot door de voorbijgangers, was "voor alle
dingen" (Colossenzen 1:17), dat wil zeggen vóórdat de geschiedenis zelf begon. Met Hem
begint de wereldgeschiedenis, want "alle
dingen zijn door Hem geworden, en zonder Hem is geen ding geworden, dat
geworden is" (Johannes 1:3). En de geschiedenis, die met Hem begon,
werd en wordt door Hem gevormd en beheerst. "Hij
beheerst het heelal met Zijn machtig Woord" (Hebreeën 1:3 - HLW).
En zij werd en wordt door Hem gevormd en beheerst met slechts één doel voor
ogen. Dat speciale doel en plan blijkt altijd de centrale en beheersende factor
van de geschiedenis te zijn, onverschillig hoe ver zij daarvan schijnt
verwijderd te zijn. Iedere gebeurtenis in de geschiedenis vindt plaats om dit
ene doel te dienen. Niets, hoe onbetekenend ook, valt daarbuiten. Het
universum, onze planeet incluis, werd voor dit éne doel geschapen: om als
geschikte woonplaats te dienen voor het menselijk geslacht. (3) De mens werd
geschapen naar het beeld en de gelijkenis van God voor dit ene doel: om de Zoon
van God een eeuwige partner te kunnen geven. Na de zondeval en de belofte van
de verlossing door middel van de komende Messias, werd het Messiaanse geslacht
geboren en opgevoed teneinde de Messias
voort te brengen. En de Messias kwam met slechts één bedoeling: de Gemeente in
het leven te roepen, en zo Zijn Bruid te verwerven. De Gemeente, bestaande uit
die mensen, die geroepen en verlost zijn, blijkt het centrale onderwerp, het
doel te zijn, niet alleen van de wereldgeschiedenis, maar ook van alles wat God
gedan heeft in alle rijken in alle eeuwigheden.
Als dat waar is, dan is alle geschiedenis geheiligd. Dan
bestaat er niet zoiets als algemene, wereldse geschiedenis. Dan is geschiedenis
eenvoudig "Zijn verhaal" (history = HIS STORY). Het ganse universum
in zijn totaliteit werkt met God mee om Zijn doel te bereiken, namelijk Zijn
Gemeente als Zijn eeuwige partner uit te kiezen en toe te rusten. Het ganse
universum is voor dit doel geschapen, want alle dingen behoren aan de Gemeente
en zijn er voor haar welzijn (I Korintiërs 3:21-23). Als Heer van de geschiedenis
houdt God elk gebeuren onder Zijn heerschappij, niet alleen op deze aarde, maar
overal ten einde Zijn doel te bereiken, namelijk Zijn Gemeente tot volle
rijpheid te brengen en haar, Zijn uitverkoren Bruid - dus niet de engelen of
aartsengelen - maar háár een plaats te geven op de troon met Zijn Zoon. (4)
Deze heerlijke waarheid werd aan Paulus geopenbaard en hij schreef daarover: "Wij weten, dat alle dingen (de gehele kosmos)
medewerken ten goede voor hen die God liefhebben (de Gemeente), die naar Zijn
voornemen geroepenen zijn (de Bruid)" (Romeinen 8:28).
Een liefdesgeschiedenis in het hart van het universum
Uit dit alles wordt duidelijk, dat het hart van het
universum een romantische liefde is die de sleutel is tot alle bestaan. Van
alle eeuwigheid heeft God bedoeld, dat eens in de toekomst Zijn Zoon een
eeuwige partner zou hebben, zoals Johannes haar in zijn Openbaring beschreef
als "de Bruid, de Vrouw van het Lam" (Openbaring
21:9). Johannes onthulde verder, dat deze eeuwige partner naar Gods eeuwige
bedoeling bestemd is om na het bruiloftsmaal van het Lam de troon met de
Bruidegom te delen (Openbaring 3:21). Hier zien wij het uiteindelijke doel, de
hoogste bestemming van de geschiedenis. Volgens Romeinen 8:28 is uitsluitend
dit het motief van al God scheppend handelen. Dit Bijbelgedeelte leert ons
duidelijk, dat alles wat God van 't begin af aan gedaan heeft, geconcentreerd
was op de Gemeente. Slechts dit en niets anders onthult en verklaart het geheim
van de geschiedenis volkomen. (5) Men kan van geen enkele wereldse
geschiedschrijver verwachten dit te begrijpen. Maar als wij Romeinen 8:28 goed
begrijpen, dan is deze schepping er voor de Gemeente (Psalm 75:7-8, Psalm 105).
Dus niet dankzij hun eigen waardigheid kwamen Farao, Nebukadnezar, Darius,
Sanherib en anderen aan de macht. Dit is wat Jesaja zegt in hoofdstuk 10:5-14.
De betekenis van deze koningen was volkomen afhankelijk van Gods bedoeling met
het Messiaanse volk, waaruit de Messias zou voortkomen. Eens komt de dag, dat
we zullen begrijpen, dat niet alleen deze voorbeelden, die in de Bijbel staan,
maar alle gebeurtenissen in alle eeuwigheden, beschikt en toegeleid werden naar
dit éne doel: het uiteindelijke werven en voorbereiden van de Bruid.
In zijn Bijbelshandboek toont Henry Halley aan, dat "...het Oude Testament
verslag geeft van een volk, maar het Nieuwe Testament van een MENS. Het volk
werd in het leven geroepen door God om deze MENS voort te brengen".
Beperkte aanvaarding van een onbeperkte verzoening
Maar wat was het doel van de komst van deze MENS? Hij
kwam om te sterven - om te sterven én uit de dood op te staan (Johannes 12:27).
En wat was dáárvan dan de bedoeling? Het antwoord luidt gewoonlijk, dat Hij
stierf en uit de dood verrees om de wereld te verlossen. U verbaast zich
misschien als ik beweer, dat naar mijn mening bovenstaand antwoord te eenvoudig
is, omdat het ten enenmale niet alles omvat. Het is wáár, dat Zijn dood en
opstanding de mogelijkheid tot verlossing van de gehele mensheid gaven. Geen
enkel mens uit Adams geslacht werd buitengesloten. "En
Hij is een verzoening voor onze zonden en niet alleen voor de onze, maar ook
voor die der gehele wereld
(I Johannes 2:2). Allen die geboren zijn of nog zullen worden, vanaf de
dageraad der menselijke geschiedenis tot aan het aanbreken van de eeuwigheid,
zijn besloten in Gods alomvattende verlossende liefde. Maar God wist vanaf het
begin, dat slechts een uitverkoren deel dit wereldwijde aanbod zou accepteren.
Dit wordt duidelijk uit de woorden van Jezus Zelf in Mattheüs 7:13-14: "Wijd is de poort en breed de weg die tot het
verderf leidt, en velen zijn er, die daardoor ingaan; want eng is de poort en
smalle weg, die ten leven leidt, en weinigen zijn er, die hem vinden".
Als God reeds van eeuw en her wist, dat het
"netto" resultaat van heel Zijn scheppend handelen, Zijn
verlossingsplan inbegrepen, slechts deze naar verhouding kleine minderheid zou
zijn, dan zouden we kunnen zeggen dat deze kleine groep het doel was van al
Gods eerdere plannen, doelstellingen en scheppingshandelingen. (6) Daaruit
volgt dan dat om deze kleine rest het universum werd voortgebracht. Om hén
werden de bewoners van de ruimte, de onzienlijke wereld, in het leven geroepen
(Hebreeën 1:14). Om hén werd de aarde gemaakt. Met het oog op hen werd Abrahams
geslacht geboren. Om hen te bezitten, trad God Zelf de geschiedenis binnen in
de Vleeswording. En deze kleine groep heet de Gemeente, de Bruid, de Vrouw van
het Lam (Mattheüs 16:18, Openbaring 21:9). (7)
De Bruid – het eindproduct van alle eeuwen
Deze opvatting wordt bekrachtigd door wat men zou kunnen
noemen: “het bewijs van het eindproduct”. (8) Als iemand wil weten, wat de
betekenis en het doel van de geschiedenis is, dan moet hij naar het resultaat,
de “netto”-winst kijken. Omdat profetie “vooraf geschreven geschiedenis” is,
vinden we het laatste hoofdstuk van de geschiedenis in het boek Openbaring. Wat
zien we, als we de laatste bladzijden hiervan opslaan, als eindproduct
tevoorschijn komen? Dit ene slechts: de Eeuwige partner van de Zoon van God.
Het uiteindelijke resultaat en doel van alles wat er is gebeurd van eeuwigheid
tot eeuwigheid, het eindproduct van alle eeuwen is de smetteloze Bruid van
Christus, die met Hem verenigd in huwelijksgeluk het bruiloftsmaal van het Lam
viert en met haar hemelse Bruidegom gezeten is op de troon van het universum:
zij zal met Hem heersen over een steeds groeiend en zich uitbreidend
Koninkrijk. Hij kwam de geschiedenis der mensen slechts hierom binnen: Zich
Zijn Geliefde te verwerven (Openbaring 19:6, 21:7,9, 10).
Dus is de Gemeente, de sleutel voor de verklaring van de geschiedenis. De
Gemeente, gewassen in het Bloed van het Lam en zonder vlek of rimpel, is het
middelpunt, de reden en het doel van Gods geweldige schepping. Daarom is de
geschiedenis alleen maar dienares van de Gemeente en de volkeren der wereld
zijn slechts marionetten, die door God gehanteerd worden ten dienst van de
Gemeente (Handelingen 17:26).
De schepping dient geen ander oogmerk, de geschiedenis geen ander doel.
Vanaf de grondlegging der wereld tot aan het begin der eeuwigheid werkt God
naar deze éne grote gebeurtenis toe, dit éne verheven einddoel: de glorieuze
bruiloft van Zijn Zoon, het bruiloftsmaal van het Lam.
De hemelse bruiloft en de aanvang van Gods handelen in de
eeuwigheid
Net als bij Adam zag God, dat het niet goed was voor zijn
Zoon om alleen te zijn. Vanaf het begin was het naar Gods plan, dat uit de
doorstoken zijde van Zijn Zoon, de eeuwige partner zou voortkomen. Zij zou
naast Hem zitten op de troon van het universum als een betrouwbare deelgenote. “Vrees niet, klein kuddeke, want het heeft uw Vader
behaagd u het Koninkrijk te geven” (Lucas 12:32). “Wie overwint, hem zal Ik geven met Mij te zitten op mijn
troon, gelijk ook Ik heb overwonnen en gezeten ben met mijn Vader op Zijn
troon” (Openbaring 3:21).
Het aanvaarden van een koningschap houdt meer in dan alleen van de principes en
het karakter van een koninkrijk kennis te nemen; dat is slechts een onderdeel
ervan. Een koningschap aanvaarden, houdt in tot koning verheven worden en te
worden bekleed met gezag over een koninkrijk. Dat dit Gods heerlijke doel is
met de Gemeente, wordt bekrachtigd en bevestigd door Paulus in I Korintiërs
6:2-3: “Weet gij niet dat wij over engelen zullen
oordelen”? Toen Jezus zei: “De heerlijkheid,
die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven”. (Johannes 17:22),
bedoelde Hij dit als een handgeld voor de Gemeente.
Dit koningschap en deze heerschappij is geen holle frase, iets, wat symbolisch
of zinnebeeldig bedoeld is. Het is geen vrucht van de verbeelding. De Gemeente,
de Bruid, de eeuwige metgezellin zál met Hem op Zijn troon zitten. Als
Zijn troon voor Hem een werkelijkheid is, dan is háár troon net zomin fantasie.
Zij zal aan de heerlijkheid van Christus deel hebben (Romeinen 8:17). We weten
niet waarom het de Vader behaagt om het Koninkrijk aan de kleine kudde te
geven. We weten niet waarom Christus verkozen heeft Zijn troon en heerlijkheid
te delen met de verlosten. Maar we weten dat Hij verkozen heeft dit te doen en
dat het Hem tot vreugde is.
Daarom is alles wat van eeuwigheid aan dit bruiloftsmaal van het Lam vooraf
gegaan is, een inleiding en een voorbereiding. Pas daarna zal Gods programma
voor de eeuwigheid zich beginnen te ontvouwen. God, zal bij wijze van spreken,
niet beginnen Zijn uiteindelijke plannen voor de eeuwen uit te werken, voordat
de Bruid op de troon zit met haar Goddelijke Geliefde en Heer. Tot dan wordt
het ganse universum onder het ganse bestuur en de heerschappij van de Zoon van
God geleid met maar één doel: de voorbereiding en toerusting van de Bruid.
Aantekeningen
(1) Deze filosofie van onwetendheid wat het verleden
betreft en van hopeloosheid ten aanzien van de toekomst wordt beaamd en
bevestigd door de zienswijze van sommige moderne biologen en psychologen. In zijn boek “Chance and Necessity”
beweert Jacques Monod, de Frans kerngeleerde, dat het bestaan van de mens te
danken is aan een toevallige botsing van minuscule deeltjes kernzuur en
eiwitstoffen in de onmetelijke “oer-soep”. Volgens een aanhaling van dr. Francis
Schaeffer in zijn boek “Back to Freedom and Dignity” uit een artikel in
Newsweek Magazine, is Monod van oordeel, dat “alle leven voortkomt uit een
onderlinge wisselwerking van toeval en noodzaak”. Monod komt tot de conclusie,
dat de mens (voor zover het een Opperwezen aangaat) alleen staat in de wrede
onmetelijkheid van het heelal, waaruit hij als bij toeval ontstaan is. Er is
nergens vastgelegd wat zijn bestemming is, noch waaruit zijn verplichtingen
bestaan. Zoals dr. Schaeffer in zijn boek verklaart, is Monod ervan overtuigd,
dat “de mens het product is van het ‘onpersoonlijk’ plus tijd plus toeval”.
Als dit waar is, dan heeft de mens geen persoonlijkheid en dan kan hij ook niet
op een hogere waarde ingeschat worden dan elk andere onderdeel van het
universum ook. Daarom is er, moreel gezien, geen onderscheid tussen het
omhakken van een boom en het vernietigen van een menselijk wezen. Als een
menselijk persoon in wezen niet verschilt van een boom, dan is ook zijn
toekomst niet anders. Het bestaan van een mens heeft dan even weinig betekenis
als dat van een boom, en zo wordt de waarde van de mens tot nul gereduceerd.
Dit denken leidt uiteindelijk tot zinloosheid en wanhoop. Volgens dr. Schaeffer
is het dit, wat de studenten van Berkely tot opstand bracht en zoals men kan
concluderen ook op vele andere universiteiten in ons land en over de hele
wereld. Wanneer de mens God uitrangeert, vernietigt hij zichzelf. ATHEISME
BERGT ZELFMOORD IN ZICH!
(2) Dit
gezichtspunt wordt knap uitgedrukt door Erich Sauer: “Als Schepper van de loop
van de geschiedenis en Bestuurder van hemel en aarde, voert Hij (God) de
heerschappij over de gang van zaken in het heelal. Daarom kan Hij, als Heer van
de geschiedenis, en Hij alleen een verklaring geven van de geschiedenis… daarom
is de Bijbel het “boek der mensheid”, dat wil zeggen de sleutel tot het
wereldgebeuren. Elk begrip van de gang van zaken in de wereld der mensen hangt
af van de houding tegenover dit Boek” (Eternity to Eternity, blz. 97).
“Zonder Christus is de hele geschiedenis volkomen onbegrijpelijk” (Ernest
Renan).
(3) Alle
conservatieve verklaringen zijn het erover eens, dat het Schriftuurlijke
verhaal van de schepping er de nadruk op legt, dat de mens het doel en de kroon
van het scheppingsproces is. Zelfs Nietzsche heeft gezegd; “De mens is de reden
waarom de wereld bestaat” (Erich Sauer in The King of the Earth, blz. 49).
Over het scheppingsverhaal uit Genesis zegt Leonard Verduin: “Het is een
eenvoudige vanzelfsprekende zaak, dat het God er vanaf het allereerste begin om
te doen was het hoogtepunt van de schepping te bereiken in de mens. Alles wat
daaraan vooraf gaat, is een voorbereiding en inleiding op de schepping van de
mens, aan wie de heerschappij werd toevertrouwd. De mens wordt getekend als de
kroon en het sluitstuk van het hele scheppende handelen van de Almachtige God. De
mens is het doel, waarop zich dat hele handelen richtte. Waarlijk, de Bijbel
spreekt niet gering over de mens (Somewhat less than God, blz. 9).
4) Watchman
Nee wijst erop, dat de Gemeente nú het Lichaam van Christus is, maar dat zij ná
het bruiloftsmaal van het Lam Zijn Bruid zal zijn (The Glorious Church, hoofdst.
3, blz 46, uitgave 1968).
(5) De
stelling van dit gedeelte is aangevallen op grond daarvan “dat teveel gebaseerd
is op één tekst, los van de context”.
De schrijver erkent de juistheid van deze kritiek, omdat het woord dat met “alle
dingen” in Romeinen 8:28 wordt vertaald, daar niet in verband staat met het
woord “kosmos” zoals op andere plaatsen.
De bewering dat als sommige dingen medewerken ten goede voor de
Gemeente, dan ook alle dingen in het gehele universum ten goede moeten
medewerken, is een noodzakelijk, onbetwistbaar gevolg van de leer van het
monotheïsme (één godendom).
Indien er één God is en Hij soeverein is, dan zijn al Zijn bedoelingen en
handelingen op één en hetzelfde doel gericht. Slechts als er een gelijkwaardige
tegenkracht is, of verdeeld gezag, zouden andere stromingen of doeleinden Gods
doel kunnen doorkruisen. Hierdoor zou een chaos ontstaan. Daarom, als er één
soevereine God is in het heelal, dan is het universum een kosmos. Als het
universum een kosmos is, een harmonieus en geordend geheel, dan werken alle
omstandigheden en gebeurtenissen naar één en hetzelfde doel toe.
Dat het universum een kosmos is, onder de heerschappij van één soeverein gezag,
wordt ons geleerd o.a. in Psalm 103:19. “De Here
heeft Zijn troon in de hemel gevestigd, Zijn Koningschap heerst over alles”. Deze
waarheid is het onderwerp van vele psalmen en uitspraken van profeten en klinkt
door in heel de Schrift vanaf Genesis tot Openbaring. Dit wijst erop, dat het
universum een geordend geheel is, een harmonieuze eenheid, een kosmos.
In zo’n universum, onder de heerschappij van een centraal absoluut gezag,
zullen ook, indien één gebeurtenis of een reeks gebeurtenissen ten goede medewerken
voor de Gemeente, alle andere dingen hetzelfde doel dienen.
Een duidelijk voorbeeld hoe de kosmos medewerkt om het Messiaanse doel van God,
en daarmee ook Zijn bedoeling met de Gemeente te dienen, vindt men in Richteren
5:20. “Van de hemel streden de sterren, vanuit haar
banen streden zij tegen Sisera”. Vele andere Schriftgedeelten
illustreren ditzelfde punt.
Daarom behelst de uitdrukking “alle dingen” uit Romeinen 8:28 niet slechts bepaalde
bijzondere gebeurtenissen, maar de totaliteit van alles wat in het heelal
plaatsvindt.
(6) De
schrijver gelooft, dat het aantal verloste mensen niet te tellen is (Openbaring
7:9). De uitdrukkingen “kleine groep” en “heel kleine minderheid” worden
gebruikt met betrekking tot hen, die in de genadetijd gebruik gemaakt hebben of
nóg zullen maken van de vrijheid om te kiezen. Als we echter de talloze
miljoenen, die in de kinderjaren of vóór de geboorte streven, meerekenen, zoals
wij geloven, dan is het waar als men zegt, dat “uiteindelijk het aantal van
hen, die verloren gaan tegenover dat van hen, die gered worden in geen groter
verhouding staat dan het getal gedetineerden in de gevangenis tegenover dat van
de mensen in de vrije maatschappij”.
(7) De
schrijver gelooft dat de Gemeente alle verlosten omvat vanaf de schepping tot
aan de voleinding.
(8) De
auto-industrie geeft ons een heldere kijk op wat men noemt “het bewijs van het
eindproduct”. De auto was eerst slechts een ontwerp, een idee, een droom in de
geest van een mens. Maar dat idee gaf de stoot tot een grootse onderneming. Om
de auto te kunnen fabriceren zijn geweldige gebouwencomplexen verrezen, die
duizenden vierkante meters in beslag nemen en enorme sommen geld hebben gekost.
In deze fabrieken worden ingenieuze machines en werktuigen geïnstalleerd, een
uitrusting die enorme kapitalen vergden. De fabricage zelf vereist onmetelijke
hoeveelheden ruw materiaal van velerlei soort vanuit de hele wereld aangevoerd,
in aantallen die onze verbeelding verre te boven gaan. In deze bedrijven werken
miljoenen mannen en vrouwen, van ingenieurs tot arbeiders aan de productielijn.
En dat alles dient slechts dit éne doel: de vervaardiging van een kleine auto.
Wanneer dan het eerste wagentje van de montageband rolt, wordt het doel van
deze enorme industrie duidelijk zichtbaar. Alles wat eraan vooraf gegaan is, de
enorme plannen, de verwerking van het ruwe materiaal met de daaraan verbonden
reusachtige hoeveelheden afval, alles vanaf de tekentafel tot de laatste bout
toe, wordt belicht en verklaard door uitsluitend dit ene: het tot stand komen
van een auto. Die kleine wagen is de sleutel waarmee het geheim van alles wat
eraan vooraf gegaan is, ontsluierd wordt.
(9) De hier bedoelde gelijkheid is een overgedragen gelijkheid. Ofschoon dat het geval is, wordt deze gelijkheid volledig erkend en geëerbiedigd alsof het de oorspronkelijke was. De uitdrukking “mede-erfgenaam” (Romeinen 8:17) draagt onmiskenbaar deze betekenis. Volgens de wet kan een mede-erfgenaam niets alleen doen, niets zonder de ander.
2
GODS DOEL VOOR DE GEMEENTE:
DE HOOGSTE POSITIE
De hoogste positie – de verloste mens
Het zal uit het eerste hoofdstuk duidelijk geworden zijn,
dat de verloste mens een volstrekt unieke plaats inneemt in de rangorde van het
universum. Ik probeer hiermee niet de plaats van de engelen te kleineren of
iets af te doen aan hun stralende heerlijkheid. Zij zijn onbeschrijfelijk
schoon en bezitten een ontegenzeglijke majesteit, een onuitsprekelijke macht en
een bovennatuurlijke intelligentie. Zij heersen over hemelse gewesten van
ongekende uitgestrektheid en onvoorstelbare luister. Hun buitengewone positie
blijkt verder uit het feit, dat zij rondom de troon van de Almachtige (God)
staan en de hofhouding vormen van de Koning der koningen. Maar hoe verheven zij
ook zijn, toch worden de engelen, die de hoogste positie bekleden en rondom de
troon van de Allerhoogste zweven, overtroffen – wonder boven wonder – door het
meest onbetekenende mensenkind, dat wedergeboren en verlost is door het Bloed
van het Lam.
God “liet zich kennen” in de Vleeswording
Oorspronkelijk geschapen naar Gods beeld werd de verloste
mens, door een geboorteproces, zoals God dat alleen heeft kunnen uitdenken
en dat we wedergeboorte noemen, verheven tot de hoogste van alle schepselen. “Want over de engelen ontfermt Hij Zich niet, maar Hij
ontfermt Zich over het nageslacht van Abraham” (Hebreeën 2:16). Hoe Hij
zich ook verder in de natuur manifesteert, God kon geen engelengestalte
aannemen, omdat zij niet zijn geschapen naar Zijn beeld en gelijkenis (1). Geen
ander schepsel heeft bij benadering het vermogen zoals de mens, om “God in zich
te hebben en Zijn beeld te vertonen”. Slechts in de menselijke natuur kon God
vlees worden. God “liet Zichzelf kennen” in de menswording. Hierdoor gaf Hij
eer aan het menselijke geslacht en verhief Hij de verloste mens boven de hoogst
geplaatste engel in het stralende gewelf van het firmament.
De engelen zijn geschapen, niet verwekt
Omdat engelen niet naar het beeld Gods geschapen zijn en
God daarom in hen niet vlees kan worden, kunnen de gevallen engelen ook niet
worden verlost. Geen engel kan ooit (een geboren) lid worden van het huisgein
van God. Zij zijn geschapen wezens, niet verwekt; daarom kan een engel nooit
een “bloed”-eigen zoon van God worden. Zij kunnen nooit de erfelijke aanleg,
het “zaad” van God ontvangen. Zij kunnen nooit deel hebben aan de Goddelijke
natuur.
Geen engel kan ooit behoren tot de Bruidsgemeente. Dit voorrecht geldt alleen
de verloste mens.
Wie van de engelen kent het voorrecht, te kunnen zeggen: “Ziet, welk een liefde ons de Vader gegeven heeft, dat
wij kinderen Gods genoemd worden”? Of “Wanneer
Hij al verschijnen, zullen wij Hem gelijk wezen” (I Johannes
3:1-2)? In Hebreeën 2:11 staat: “Want Hij Die
heiligt en zij die geheiligd worden, zijn alleen uit één; daarom schaamt Hij
Zich niet hen broeders te noemen”. Tot wie van de engelen heeft Hij ooit
gezegd: “Ziedaar, mijn broeder en zuster en
moeder,” d.w.z. “Wij zijn van dezelfde
oorsprong, we zijn uit dezelfde Vader geboren” (Mattheüs 12:48-50).
Heeft Hij ooit over de engelen gesproken, zoals Hij over Zijn discipelen sprak:
“Dat zij allen één zijn, gelijk Gij Vader in Mij en
Ik in U, dat zij ook in Ons zijn, opdat zij één zijn, gelijk Wij één zijn: Ik
in hen en Gij in Mij, dat zij volmaakt zijn tot één…” (Johannes
17:21-23). Heeft Paulus ooit van de engelen gezegd, zoals hij deed van de
Gemeente, dat zij Zijn Lichaam vormen, waarvan Hij het Hoofd is “vervuld met Hem, Die alles in allen volmaakt” (Efeziërs
1:23)? Heeft Paulus tot de engelen gezegd: “Gij
zijt leden van Zijn Lichaam, vlees van Zijn vlees en been van zijn gebeente” (Efeziërs
5:30 S.V.)?
De verlosten zijn toegevoegd aan de Triniteit
Maar dit is niet alles. We gaan verder en lezen met ingehouden adem in I
Korintiërs 6:17 “Hij die zich aan de Here hecht is
één geest met Hem”. Deze eenheid is meer dan alleen een formele,
zakelijke of ideële harmonie of gevoelsband. Het is een organische eenheid, een
“organische relatie tussen personen”. Door wedergeboorte worden we waarachtige
leden van de oorspronkelijke kosmische familie (Efeziërs 3:15), daadwerkelijke
zonen van God (I Johannes 3:2), “deelgenoten van de
Goddelijke natuur” (II Petrus 1:4), door hem verwekt en bevrucht door
het Woord, dat het zaad wordt genoemd (I Johannes 3:9; 5:1, 18, I Petrus 1:3,
23) en dat zijn erfelijke eigenschappen draagt. Zo worden wij door
wedergeboorte – ik spreek met eerbied – de naaste bloedverwanten van de
Drie-eenheid. Dat deze groep wedergeboren mensen boven alle andere schepselen
staat, wordt door Paulus bevestigd door de indringende vragen, die hij stelt in
I Korintiërs 6:2-3: “Of weten jullie niet dat de
Christenen straks over de wereld zullen rechtspreken?...Weten jullie niet, dat
wij straks over engelen zullen oordelen”? (HLW).
Het nieuwe geslacht
Het gaat hier dus over een volkomen nieuw, uniek en
bijzonder soort schepselen, dat men een “nieuw geslacht” zou kunnen noemen. Niets
in alle koninkrijken der oneindigheid is daarmee te vergelijken. Dit is wat
God voor ogen had, toen Hij de wereld tot aanzijn riep. Dit is wat door Paulus
de “nieuwe mens” wordt genoemd (Efeziërs 2:15), de “nieuwe mensheid”, die door
wedergeboorte bestemd is de elite van het universum te zijn. Zij vormt een
nieuwe koninklijke familie, een nieuwe heersende klasse, die tevens de Bruid,
de Vrouw van het Lam is. Dit geslacht is ertoe bestemd om mede te regeren, mede
te heersen en mede te besturen. Op grond van de verlossing en de wettelijke
verbintenis met de Koning der koningen (zie hoofdstuk 1, aantekening 9) de
gelijkwaardige partner op de troon.
Een familie door geboorte
Niets kan ooit het feit verdoezelen, dat de Schepper door
oneindigheid gescheiden is van Zijn schepping. Christus is de eeuwige unieke en
eniggeboren Zoon, “de afstraling va Gods
heerlijkheid” (Hebreeën 1:3). Maar van vóór alle eeuwigheid heeft God
Zich voorgenomen een eigen familiekring te scheppen, van mensen, die
niet alleen geschapen zouden worden, maar ook voort zouden komen uit
Zijn eigen leven. “Al voordat Hij de wereld maakte,
heeft God ons uitgekozen (in erfelijke zin), ons die één met Christus zijn” (Efeziërs
1:4, 5:25-27 – HLW). Om deze persoonlijke familieband te verkrijgen ontwierp
God het grote en oneindig wijze plan van de schepping plus de verlossing
door de wedergeboorte, teneinde “vele zonen tot
heerlijkheid te brengen” (Hebreeën 2:10). En Hij besloot dat ze Zijn
Zoon gelijk zouden zijn…opdat Hij de eerste
en belangrijkste van vele broers zou worden (Romeinen 8:29 – HLW). Met
andere woorden Christus is het voorbeeld, waarnaar alle andere zonen gevormd
worden. Uit Johannes 1:12-13 leren we, dat het verlossingsplan werd ontworpen
als een effectieve en originele methode om “vele zonen” voort te brengen,
die als discipelen een heiligingsproces zouden ondergaan, teneinde hen tot
heerlijkheid te brengen. “Doch allen, die Hem
aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden, hun
die in Zijn Naam geloven; die niet uit bloed, noch uit de wil des vlezes noch
uit de wil eens man, doch uit God geboren zijn” (Johannes 1:12-13). Hieruit
blijkt duidelijk dat er twee manieren bestaan waarop men geboren kan worden:
een menselijk en een Goddelijke. In en door Christus alleen realiseert en
vervult God zijn vaderlijk verlangen naar een door geboorte ontstane
familierelatie. Zonder dit plan zou Gods familie voor altijd beperkt zijn
gebleven tot Drie.
Prinsen van het Koninkrijk
Degenen, die het werk aan een lopende band kennen, weten
dat een model eerst getekend wordt en met de hand vervaardigd en getest,
voordat het aan de montageband gefabriceerd wordt. Zij weten ook, dat
lopende-band-werk exacte duplicaten, volmaakte kopieën van het origineel maakt.
Dit nu is ook Gods doel met het verlossingsplan: om door wedergeboorte een
geheel nieuw, uniek soort mensen te scheppen, nauwkeurige evenbeelden van Zijn
Zoon, met Wie Hij Zijn glorie en heerschappij wil delen, en die een koninklijk
geslacht zullen zijn dat de regerende en besturende functie in Zijn eeuwig
Koninkrijk zal bekleden.
Hoewel we aan de ene kant het oneindig grote onderscheid tussen de eeuwige Zoon
en de “vele zonen”, die in de familie van God geboren zijn, onderkennen, is aan
de andere kant hun erfenis als gevolg van de wedergeboorte zodanig, dat Hij hen
als waarachtige broeders beschouwt. En volgens I Johannes 3:2 is dat precies
wat zij zijn: echte uit God geboren kinderen, en daardoor “bloedeigen” broeders
van de Zoon. Christus is het Goddelijke model waarnaar de nieuwe mens gevormd
wordt. Zij zullen een kopie zijn van Hem, ware genotypen, volkomen aan Hem
gelijk voor zover dat mogelijk is, als begrensden t.o.v. de Onbegrensde. Als
door Hem verwekte zonen Gods, die in hun wezen en aard de erfelijke
eigenschappen van God dragen, staan zij in rang hoger dan alle andere
schepselen en zijn zij verheven tot de hoogste plaats die maar mogelijk is,
zonder tot de Drie-eenheid zelf te behoren.
Ofschoon Christus de unieke, eniggeboren, eeuwige Zoon is, behoudt Hij toch
Zijn heerlijkheid niet voor Zich, want Hij heeft gezegd: “De heerlijkheid, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun
gegeven” (Johannes 17:22). Daarom zullen de verlosten deelhebben aan
Zijn heerlijkheid, Zijn regering en Zijn heerschappij als waarachtige,
verantwoordelijke prinsen van Zijn Koninkrijk.
“Bijna goddelijk” (Psalm 8:6)
Op deze manier heeft God de verloste mens tot zo’n
positie verheven, dat Hij onmogelijk verder gaan kon zonder hem in de cirkel
van de Godheid Zelf binnen te laten. In de Geliefde zijn we aan de boezem van
de Vader toegelaten (Johannes 1:18) en krachtens onze eenheid met Christus zijn
wij op dezelfde voorwaarden aanvaard als Hij (Efeziërs 1:6, Johannes 17:23).
Als waarachtige zonen, verwekt door God Zelf, als echt “bloedeigen” broeders
van de eeuwige Zoon, als leden van Zijn Lichaam, waarvan Hij het Hoofd is, en
als geest van Zijn Geest, is ’t onmogelijk nóg nader te komen! Dit geheimenis
werd door rees Howells zo blij tot uitdrukking gebracht:
“Ik kan niet nader zijn bij God,
zó dicht, zó héél dichtbij,
want in Zijn eigen eeuwige Zoon
ben ik Hem na als Hij.”
Dit stemt overeen met de verheven uitroep in Psalm 8:5-6 “Wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt? En het
mensenkind, dat Gij naar hem omziet (in de vleeswording)? Toch hebt Gij hem bijna goddelijk gemaakt”. Dit is volgens erkende bronnen de juiste
vertaling, daar het woord Elohim in het oorspronkelijk Hebreeuws de
eerste naam is, die aan de Godheid gegeven wordt (Genesis 1:1).
Geen grootheidswaan
Deze gedachte voert ons tot zulke duizelingwekkende
hoogten, dat men ons zou kunnen beschuldigen, niet alleen van grootheidswaan en
overdrijving, maar zelfs van godslastering, als deze uitspraken niet waar
zouden zijn.
God heeft de mogelijkheden van de menselijke taal uitgeput om ons de ogen te
openen voor de oneindige grootheid van Zijn plan voor de verloste mens. Wanneer
Zijn woorden geen betekenis zouden hebben, dan zijn de voorafgaande uitspraken
inderdaad overdreven. “Want wat geen oog heeft
gezien en geen oor heeft gehoord, en wat in geen mensenhart is opgekomen, dat
heeft God bereid voor degenen die Hem liefhebben” (I Korintiërs 2:9). Halleluja!
Zó onbeschrijfelijk en verwonderlijk is de grootheid van Gods plan, dat het
Paulus dringt tot de ernstige voorbede voor ons: “Ik
bid dat jullie innerlijk vol van licht zullen zijn, zodat je iets zult zien van
de heerlijke toekomst waarvoor jullie geroepen zijn” (Efeziërs 1:18 – HLW).
Geen fantasie
Ofschoon de geïnspireerde woorden van de Bijbel duidelijk
en ondubbelzinnig zijn, kan ons verstand ze vaak nauwelijks begrijpen en is men
geneigd hun betekenis te miniseren door ze te beschouwen als fantasie, symbolen
of beeldspraak. Op deze manier berooft het ongeloof het Woord van God maar al
te vaak van Zijn kracht. Bij de uitleg van de Bijbel geldt als regel, dat het
Woord letterlijk opgevat moet worden, tenzij er duidelijk van beelden of
symbolen sprake is. Zonder twijfel gaat de werkelijkheid achter de Bijbelse
uitspraken de menselijke verbeelding verre te boven; toch worden deze
uitspraken toegankelijk gemaakt voor ons verstand. Wanneer we ze niet
aanvaarden als een volkomen getrouwe weergave van de hemelse realiteit, beroven
we hen van hun kracht. Ze staan in de Bijbel om te worden aangenomen, niet als
symbool, maar letterlijk. Daarom is de positie van de verloste mens, volgens
Gods eeuwig Woord, letterlijk en waarachtig, “bijna goddelijk”.
Positie in verhouding tot gebed
Misschien vragen sommigen zich af hoe dan de verhouding
is van de verloste mens tot het gebed en de voorbede. Men kan zeggen, dat het
gebed niet in de eerste plaats bedoeld is om dingen van God gedaan te krijgen. Het
is Gods manier om de Gemeente door oefening te leren, hóe zij de legermacht van
Gods vijanden kan overwinnen. Deze wereld is de werkplaats, waar zij, die
voor de troon bestemd zijn, door gericht gebed in de binnenkamer leren, hoe zij
satan en zijn handlangers kunnen overwinnen. God heeft een leerplan van
gebed ontworpen als “stage” voor de eeuwige heerschappij met Christus. Hier
leren wij de “kunst van het vak”: hoe wij de wapens van gebed en geloof moeten
hanteren om te kunnen overwinnen en de duur gekochte zege van Christus met
kracht te kunnen verwerkelijken. Of er vijanden zullen overblijven in de
eeuwigheid weten we niet. Maar het is duidelijk, dat het karakter van de
overwinning, hier gevormd, nodig zal zijn, wanneer wij naast de Bruidegom op de
troon zullen zitten. “Wie overwint, hem zal Ik
geven met Mij te zitten op Mijn troon” (Openbaring3:21). “De kroon is
alleen voor de overwinnaar”. En de overwinnaar behaalt de overwinning binnen
het kader van Gods leerplan van gebed en geloof. De gebedskamer is de arena,
waaruit overwinnaars tevoorschijn komen.
Aantekeningen
(1) Er ligt een duidelijk, overtuigend aspect besloten in
Genesis 1:27, dat seks in zijn geestelijke dimensie een element van het beeld
Gods vormt. In dien seks in zijn geestelijke dimensie een onderdeel is van het
beeld, waar naar de mens geschapen is, dan volgt daaruit dat de engelen niet
naar Gods beeld geschapen zijn, wat zij dan ook verder met de mens gemeen mogen
hebben, zoals een geestelijke natuur, verstandelijke, emotionele en morele
eigenschappen en een heiligheid, die zij vanuit hun bestaan bezitten.
3
HET GEHEIMENIS VAN HET GEBED
“En Ik heb onder hen gezocht naar iemand
die een muur zou kunnen optrekken en voor mijn aangezicht op de bres zou kunnen
staan ten behoeve van het land, zodat Ik het niet zou verwoesten, maar Ik heb
hem niet gevonden. Daarom heb Ik mijn gramschap over hen uitgestort; met het
vuur van Mijn verbolgenheid heb Ik hen verteerd; hun wandel heb Ik op hun hoofd
doen neerkomen, luidt het Woord van den Here HERE” (Ezechiël
22:30-31).
Gebed – een Goddelijke geheimenis
Is het ooit tot u doorgedrongen, dat het principe van
gebed een raadselachtig mysterie is? Waarom bestaat er eigenlijk een systeem of
plan van gebed? Is God niet almachtig? Kan Hij niet soeverein handelen? Zou Hij
hulp van buitenaf nodig hebben? Eén van de eigenschappen, die men God
toeschrijft, is juist, dat Hij geen hulp nodig heeft. Behoeft Hij dan iets
waarin de mens of enig ander schepsel zou kunnen voorzien? Zou niet Hij, Die
door Zijn Woord de werelden tot aanzijn riep en Die hen door datzelfde Woord in
stand houdt, Zijn voornemens tot uitvoer kunnen brengen zonder de hulp van een
nietig mens? Zo ja; waarom heeft Hij dan het gebed gewild?
God doet niets zonder de mens
Het geheimenis van het gebed wordt duidelijk in Ezechiël
22:30-31, wat we bij het begin van hoofdstuk 3 hebben aangehaald.
Hier zien we hoe God een rechtvaardig en verdiend oordeel zoekt te voorkomen.
Hijzelf verlangt ernaar het volk te sparen. Maar, vreemd genoeg, kan Hij het
niet zonder een mens doen, zonder een voorbidder. Als niemand voorbede doet,
kan God het oordeel niet tegenhouden. Waarom zou Hij “afhankelijk” zijn
van de gebeden van een mens om het volk te kunnen sparen voor de oordelen, die
Hijzelf wil tegenhouden? God is immers de Almachtige, de Allerhoogste Heerser
van het universum. Hij is Zelf de opperste Rechter, de Jury en de uitvoerende
macht. Of niet soms? Als het Zijn verlangen zou zijn geweest om het gericht
over Zijn volk tegen te houden, als Hij Zijn volk genadig had willen zijn,
waarom heeft Hij Zijn hoogste gezag dan niet uitgeoefend en Zijn volk
gesppaard, los van welke voorbede dan ook? Gods wil is toch superieur? Waarom
heeft Hij Zichzelf dan “afhankelijk” van mensen gemaakt? Is dit niet een
raadselachtig mysterie?
God dringt er op aan te bidden
Dat God gebed en voorbede zo belangrijk vindt, blijkt uit
Zijn Woord door Zijn vele aandringen op gebed. Hij nodigt niet alleen uit, Hij
dringt erop aan, Hij drukt het ons op het hart, Hij achtervolgt ons ermee, ja,
Hij smeekt ons om van dit voorrecht gebruik te maken. Eén vertaler heeft
Mattheüs 7:7 op de volgende manier weergegeven: “Vraag,
Ik vraag je om te vragen; zoek, Ik dring er bij je op aan te zoeken; klop, Ik
bind je op het hart te kloppen”. Niet alleen nodigt Hij ons uit tot
bidden en spoort Hij ons ertoe aan. Hij gebiedt het ons ook: “Bidt daarom de Heer van de oogst dat Hij arbeiders
uitzende in Zijn oogst” (Mattheüs
9:38). Maar Hij is Zelf de Heer van de oogst! De arbeiders behoren Hem toe.
Waarom zou Hij dan mensen zo dringend aansporen te bidden om arbeiders? Waarom
zendt Hij alleen arbeiders uit als antwoord op de gebeden van hen, die verlost
zijn?
God geeft “onvoorwaardelijke” beloften van gebedsverhoring
De fundamentele betekenis van het gebed blijkt ook
hieruit, dat God Zich verplicht gebeden te verhoren. De beloften, dat God
gebeden beantwoorden wil, zijn zó rijk en zó stellig en bestrijken een zó breed
gebied, dat het erop neerkomt dat ons carte blanche gegeven wordt d.w.z. een
blanco cheque met het gezag van Zijn handtekening erop. Het is alsof God ons
Zijn scepter in handen geeft en ons vraagt daar gebruik van te maken. Hier zijn
enkele voorbeelden: “…en wat gij ook vraagt in
Mijn Naam, Ik zal het doen” (Johannes 14:13-14). “Indien gij in Mij blijft en Mijn woorden in u
blijven, vraagt wat gij maar wilt en het zal u gegeven worden” (Johannes
15:7). “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, als gij de
Vader om iets bidt in Mijn Naam, zal Hij het u geven. Tot nu toe hebt gij niet
om iets gebeden in Mijn Naam, bidt en gij zult ontvangen, opdat uw blijdschap
vervuld zij” (Johannes 16:23-24).
Zijn gebedsplan is waterdicht
Ik noem dit “onvoorwaardelijke” beloften, omdat ik van
mening ben, dat er geen voorwaarden aan gesteld worden. En wanneer ik deze term
gebruik, bedoel ik, dat er van Gods kant geen voorwaarden aan verbonden zijn,
die een belemmering zouden kunnen vormen. Anders gezegd: Er zijn geen
voorwaarden, die onmogelijk zijn voor een werkelijk toegewijd kind van God. Het
is voor iedere gewone, serieuze en oprecht wedergeboren gelovige mogelijk aan
deze voorwaarde te voldoen in Hem te blijven en Zijn woorden te bewaren. Als
dat voor zulke Christenen niet mogelijk zou zijn, zou dat betekenen, dat God
het risico, dat gelegen is, in het geven van zulke geweldige beloften probeert
te ontlopen; en dat is bij Hem onmogelijk! Maar als God dus geen voorwaarden
stelt, dan ligt de hele verantwoordelijkheid voor onze gebedsarmoede en
vruchteloze gebeden bij onszelf. En als vragen in de Naam van de Here Jezus
niet iets is wat iedere volkomen toegewijde gelovige normaal kan doen, dan zou
God ook hier voorwaarden stellen. Maar God doet dat niet. Hij is eerlijk in
Zijn manier van handelen. Daarom moet de verantwoordelijkheid voor gebrek aan
gebed of voor onbeantwoorde gebeden bij ons gezocht worden. Het principe van
het gebed is, wat God betreft “waterdicht”. Van Zijn kant is alles gedaan.
Hoewel Zijn beloften van gebedsverhoring niet losstaan van Zijn Wil, is er in
geen enkel opzicht sprake van beperkingen, omdat elk gelovig kind van God
alleen maar begeert Gods wil te doen. Met andere woorden: Er staan geen “kleine
lettertjes” in Gods gebedscontract.
De Gemeente als uitvoerend orgaan van Gods Wil
Als God Zijn scepter aan de verloste mens overhandigt, is
dat daarom een betrouwbaar aanbod. Het is een aanbod in goed vertrouwen. Door
middel van het gebed nodigt God de verloste mens eigenlijk uit tot een volledige
samenwerking met Hem, niet om de Goddelijke besluiten te nemen, maar om die
besluiten in de menselijke samenleving uit te voeren. God is het Die
besluiten neemt, soeverein en naar Zijn Wil, over de gang van zaken op aarde. De
verantwoordelijkheid voor de uitvoering van deze besluiten heeft Hij op de
schouders van Zijn Gemeente gelegd. “Ik zeg
u, dat gij Petrus zijt, en op deze petra zal Ik Mijn Gemeente bouwen en de
poorten der hel zullen haar niet overweldigen. (1) Ik zal u de
sleutels geven van het Koninkrijk der hemelen, en wat gij op aarde binden zult,
zal gebonden zijn in de hemelen, en wat gij op aarde ontbinden zult, zal
ontbonden zijn in de hemelen” (Mattheüs
16:18-19). Deze belofte wordt voor de Gemeente in het algemeen nog eens
herhaald in Mattheüs 18:18.
“Voorwaar, Ik zeg u, al wat gij op aarde bindt,
zal gebonden zijn in de hemel, en al wat gij op aarde ontbindt, zal ontbonden
zijn in de hemel”. “Zie, Ik heb u
volmacht gegeven om op slangen en schorpioenen te treden en tegen de gehele
legermacht van de vijand; en niets zal u enig kwaad doen” (Lucas
10:19). “Gelijk de Vader Mij gezonden heeft,
zend Ik ook u…Wien gij hun zonden kwijtscheldt, dien zijn ze kwijtgescholden” (Johannes 20:21, 23).
De Gemeente heeft de volmacht van God
Dr. Wilbur T. Dayton zegt in zijn commentaar op Johannes
20:21, 23, als onderdeel van de Paasdienst op 14 april 1968: “Nadat Hij
lichamelijk uit hun midden was weggegaan, moesten Zijn volgelingen Zijn
vertegenwoordigers worden, Zijn plaats innemen. Dit is de opdracht voor de
apostelen en evenzeer voor ons. Wij zijn Zijn procuratiehouders met de
autoriteit van een gevolmachtigde om Zijn opdrachten uit te voeren. “Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zo zend Ik ook u” kan niets anders betekenen dan dat wij Zijn
afgevaardigden zijn in volle autoriteit om Zijn Goddelijke wil en plannen met
kracht uit te voeren. De afgevaardigde is bekleed met de volmacht van Zijn Chef
en heeft het volle gezag ontvangen om in Zijn plaats op te treden.
Waarom?
Nu is de vraag: waarom verkoos God te handelen binnen het kader van
het gebed? Waarom legde Hij de volle verantwoordelijkheid voor de
handhaving en de uitvoering van Zijn Goddelijke heerschappij op aarde en de
behartiging van Zijn zaken op de schouders van gevallen, maar verloste mensen? Waarom
wil Hij in de samenleving hier op aarde niets doen zonder de medewerking van
Zijn Gemeente? Wij hebben terecht de Roomse opvatting verworpen, dat de paus de
plaatsvervanger van God is op aarde, maar hebben wij dan niet verzuimd te
handelen naar het overweldigende gezag, dat God aan Zijn gehele Lichaam in deze
wereld toevertrouwd heeft? Maar dit gezag om de Wil en de besluiten van God
betreffende de gang van zaken op aarde uit te voeren, kan uitsluitend in
werking treden binnen het kader van het gebed dat God heeft ingesteld. Naar
Gods eigen besluit werkt dit enorme overgedragen gezag volstrekt niet zonder de
gebeden van mensen (Ezechiël 22:20-31). Hoe kan men dit besluit verklaren?
Waarom heeft God dit gedaan?
Gebed is een voorrecht, het kenmerk van de Gemeente
God had iets oneindig groots in gedachten, toen Hij dit
principe van gebed ontwierp. Gods eeuwig doel met de schepping van het
universum en de mensheid was om een eeuwige partner voor Zijn Zoon te
verwerven. Dit feit is een deel van het geheimenis, dat in de brief aan de
Efeziërs geopenbaard is en dat in het vijfde hoofdstuk het duidelijkst naar
voren komt. Hierin wordt de van Godswege geopenbaarde parallel tussen het
menselijk en Goddelijke huwelijk getrokken. Vers 32 maakt het geheimenis
duidelijk, waar Paulus ondubbelzinnig verklaart, dat Christus en Zijn Gemeente
huwelijkspartners zijn (2). Het ligt in Gods bedoeling, dat de Gemeente, als
eeuwige metgezellin van Christus, de hoogste positie in het universum zal
innemen, onderworpen aan de Godheid Zelf. Als Bruid van de eeuwige Zoon, zal
zij met Hem de heerschappij over het heelal delen. “Of
weten jullie niet dat de Christenen straks over wereld zullen
rechtspreken?...Weten jullie niet dat wij straks over engelen zullen oordelen”? (I Korintiërs 6:2a, 3a – HLW). “Indien wij volharden, zullen wij ook met Hem als
koningen heersen” (II Timotheüs
2:12). “En wie overwint, en mijn werken tot het
einde toe bewaart, hem zal Ik macht (volmacht) geven over de heidenen” (Openbaring 2:26). “Wie
overwint, hem zal Ik geven met Mij te zitten op Mijn troon, gelijk ook Ik heb
overwonnen en gezeten ben met Mijn Vader op Zijn troon” (Openbaring
3:21). “En zij zongen een nieuw gezang,
zeggende: Gij zijt waardig de boekrol te nemen en haar zegels te openen; want
Gij zijt geslacht en Gij hebt ons voor onze God gekocht met Uw bloed, uit elke
stam en taal en volk en natie; en Gij hebt ons voor onze God gemaakt tot een
koninkrijk van priesters en wij zullen als koningen heersen op aarde”
(Openbaring 5:9-10 – NBG en SV). Verloste leden van het menselijk geslacht,
het enige geslacht in de hele schepping dat naar Gods beeld gemaakt werd,
zullen de eeuwige metgezellin vormen. Omdat zij de troon delen met hun Geliefde
en Heer, moeten zij geoefend, opgevoed en voorbereid worden voor hun
koninklijke rol.
Gebed – de oefenschool voor het dragen van gezag
Door Zijn gezag te delegeren aan de Gemeente zodat zij op
aarde Zijn besluiten uit kan voeren en Zijn wil met kracht verwerkelijken,
heeft God haar in een leerschool geplaatst om de eeuwige heerschappij met
Christus te leren uitoefenen. Door te bidden in de binnenkamer worden de
beslissingen van God betreffende de gang van zaken in de wereld met kracht
uitgevoerd en loopt de Gemeente “stage” voor haar mede-heerschappij met
Christus over Zijn kosmisch Koninkrijk. Zij moet leren, hoe zij geestelijk
strijd moet voeren, hoe zij de boze machten overwinnen kan als voorbereiding op
de troonsbestijging na de Bruiloft van het Lam. Om haar in staat te stellen
de tactiek van het overwinnen te leren, heeft God het principe van het gebed
ingesteld. Om haar daarin te oefenen, heeft God aan haar het gezag overgedragen
om Zijn Wil hier op aarde met kracht uit te voeren. Om haar in staat te stellen
zich de rol en de “voorschriften” eigen te maken, hetgeen zij nodig heeft als
mede-heerseres, heeft Hij haar de verantwoordelijkheid gegeven om Gods Wil met
kracht te verwerkelijken en Zijn besluiten in aardse aangelegenheden uit te
voeren.
Let eens op, hoe vaak de nadruk wordt gelegd op “aarde” als plaats van
handeling: “Wat gij op aarde binden zult…”; “Wat
gij op aarde ontbinden zult…”; “Als twee van u op de aarde iets eenparig
begeren…” (Mattheüs 16:19, 18:18-19). Deze overdracht van gezag en
bestuurlijke verantwoordelijkheid voor aardse zaken, betekent voor de Gemeente
de hoogste eer en geeft Haar de hoogste positie van alle schepselen. Geen engel
of aartsengel zal ooit deze plaats kunnen innemen, omdat niet de engelen, maar
de verloste mensen alleen van de aanvang af als het beeld en de gelijkenis van
God gerechtigd zijn de Bruid te worden en de troon met de Bruidegom te delen.
Gods oorspronkelijke bedoeling – de hoogste positie voor
de mens
Het mag misschien oneerbiedig klinken, maar het is
niettemin waar, dat God de verloste mensheid in Zijn Goddelijk bestel geen
hogere positie kan geven zonder inbreuk te maken op de Drie-eenheid. Terwijl we
wel moeten inzien, dat de Schepper door de oneindigheid gescheiden is van Zijn
schepping, heeft God toch vanaf het begin het plan in gedachten gehad om deze
kloof in Jezus Christus zó volkomen te overbruggen, dat de verlosten door
geboorte als “bloed”-eigen leden van de familie van God, met Christus op de
troon van het universum terechtkomen, als Zijn Bruid en metgezel. “Wie overwint, hem al Ik geven met Mij te zitten op Mijn
troon” (Openbaring 3:21). Dit is geen later opgekomen gedachte; het
was Gods plan van alle eeuwigheid. “Hij heeft ons
immers in Hem uitverkoren vóór de grondlegging der wereld” (Efeziërs
1:4).
Dit was Gods oorspronkelijke doel met de schepping van
het universum en het menselijk geslacht. En door het gebed wordt de Bruid op
haar toekomstige koninklijke taak voorbereid.
Gebed – de voornaamste taak van de Gemeente
Daarom zei John Wesley: “God zal alleen handelen in antwoord
op gebed”. Daarom zei S.D. Gordon: “Het allervoornaamste wat iemand voor God en
voor mensen kan doen, is bidden”. En verder zei hij: “Je kunt méér doen dan
bidden, nadat je gebeden hebt, maar je kunt niet méér doen dan bidden voordat
je gebeden hebt”. Dit verklaart ook zijn uitspraak: “Gebed is: de winnende slag
toebrengen…Dienen is: de resultaten ervan oogsten”. Eveneens verklaart dit de
opmerking van E.M. Bounds over het gebed: “God regelt de gang van zaken in de
wereld door gebed. Hoe meer er op aarde gebeden wordt, des te beter zal het er
in de wereld aan toegaan, des te krachtiger zal de strijd zijn tegen de machten
der duisternis…De gebeden van Gods heiligen vormen het aandelenkapitaal van de
hemel, waarmee God Zijn grote plannen op aarde volvoert. God stelt zelfs het
bestaan en de oorsprong van Zijn zaak afhankelijk van gebed”. Als deze dingen
inderdaad wáár zijn, dan behoort gebed onze voornaamste taak te zijn.
De Gemeente heeft de sleutel in handen
Sommige bedrijven stellen als eis, dat twee mensen hun
handtekening moeten zetten op hun cheques om deze geldig te maken; één
ondertekening is niet voldoende. Beide partijen moeten tekenen. Dit geeft een
beeld van Gods manier van handelen via de gebeden en het geloof van Zijn
kinderen. Zijn cheques zijn Zijn beloften, ondertekend met Zijn eigen bloed.
Zijn aandeel werd op Golgotha volkomen voldaan. Maar geen belofte wordt geldig
tenzij een gelovige de troonzaal van het universum binnentreedt en in gebed en geloof
zijn naam schrijft naast die van God. Dán, en eerst dán wordt het bedrag van de
cheque uitbetaald. Het is net als bij een safeloket in de kluis van de bank. De
bewaarder heeft een sleutel en u hebt een sleutel. Geen van de beide sleutels
kan alleen de safe openen. Maar als u de bewaarder uw sleutel geeft, steekt hij
beide sleutels in het slot en de deur vliegt open, zodat u over de
schat, die daarin bewaard wordt, kunt beschikken. De sleutel, waarmee de
beslissingen over de gang van zaken op aarde worden genomen, ligt in de hemel,
maar de sleutel, waarmee deze besluiten ten uitvoer gebracht worden, ligt in
onze handen. In dit licht krijgt het gebed een totaal andere dimensie dat
men in ’t algemeen denkt. Gebed is niet het overwinnen van weerstanden bij
God. Het is niet Hem trachten te overtuigen van dingen die Hij niet doen
wil. Het is het “binden op aarde”, wat in de hemel al gebonden is (Mattheüs
16:19). Het is het uitvoeren van Zijn besluiten. Het is het met kracht
volbrengen van Zijn Wil. De inhoud van ieder echt gebed vindt zijn
oorsprong in het hart van God. Hij is het immers, die het gebed in het
menselijk hart legt en de verhoring van ieder door God ingegeven gebed ligt al
klaar, voordat het wordt uitgesproken. Wanneer we hiervan overtuigd zijn, dan is
geloof in gebedsverhoring véél gemakkelijker dan het anders zou kunnen zijn.
Te druk om te bidden
Geen engel werd ooit genodigd in dit bijzondere voorrecht
te delen. Geen aartsengel werd ooit uitgenodigd om daartoe de troonzaal van het
universum binnen te treden. Dit is alleen de verlosten voorbehouden. En velen
van ons hebben het te druk, met kijken naar de T.V., met sport bedrijven,
jagen, vissen, zwemmen en zeilen, werken op de boerderij, zaken doen,
enzovoort. We zijn zo druk bezig met de zorgen en genoegens van het leven, we
zijn er zo op uit om gelijke tred te houden met de wereld in haar begeerte naar
nieuwe auto’s, nieuwe huizen, nieuwe apparaten, nieuwe meubelen, enzovoort, dat
we geen tijd hebben om te bidden.
Iemand heeft een moderne Amerikaan eens beschreven als iemand, die in een door
de bank gefinancierde auto over een met een lening gefinancierde autoweg rijdt,
op benzine die met een kredietkaart gekocht is, om een rekening in een
warenhuis te gaan openen, zodat hij zijn met hypotheek gekochte huis kan vullen
met op afbetaling gekochte meubelen. Is dat niet ook een beschrijving van
velen, die zich Christenen noemen? En zou dat niet één van de redenen zijn,
waarom moderne Christenen zo weinig tijd hebben om te bidden? Misschien denken
sommige mensen: “Zouden we dan helemaal niets voor onszelf mogen hebben”? Het
antwoord is: Neen! Christus moet alles in allen zijn. U behoort uzelf
niet toe. U bent duur gekocht (I Korintiërs 6:19b-20). “Of gij dus eet of drinkt, of wat gij ook doet, doet het
alles te ere Gods” (I Korintiërs 10:31). Als u die nieuwe auto, dat
nieuwe huis, nieuwe meubelen en apparaten wilt kopen, een bijbaantje wilt
aanhouden, alles ter ere van God, uitstekend! Maar als we niet persé zo’n hoge
levensstandaard zouden willen hebben, hielden wij dan niet meer tijd voor gebed
over? Als we niet zo “bezeten” waren van reizen, plezier, vakanties en
recreatie, zouden we dan niet meer tijd voor gebed overhouden? We hebben meer
vrije tijd dan ooit tevoren, maar minder tijd om te bidden. We houden niet
alleen God en de wereld voor de gek, maar ook onszelf. Door ons gebrek aan
gebed, werken we Gods doel tegen. We beroven de wereld van het beste wat God
voor haar uitgedacht heeft en beperken daardoor onze positie in de eeuwigheid.
“En Ik heb onder hen gezocht naar iemand, maar
Ik heb hem niet gevonden” (Ezechiël
22:30).
Aantekeningen
(1) Twee gelijke, maar toch verschillende Griekse woorden
worden in dit tekstgedeelte gebruikt, namelijk petros, een mannelijk
zelfstandig naamwoord, dat vertaald wordt met “Petrus”, en petra, een
vrouwelijk zelfstandig naamwoord, vertaald met “rots”. Volgens Thayers Griekse
woordenboek betekent petra “een massieve, levende, niet uitgegraven rots”,
zoals Gibraltar, terwijl petros betekent een “losgeraakt, maar groot
stuk rotssteen”. Hier bedoelt Jezus, dat Hij Zijn Gemeente niet op het kleinere
losse stuk rotssteen (petros) wil bouwen, maar op de kolossale rots (petra),
die natuurlijk Jezus zelf is. Daarna stelt Hij vast, dat de poorten der hel
haar niet zullen overweldigen.
In het Oosten was in die dagen de stadpoort de zetel van het stadsbestuur, waar
rechtszittingen werden gehouden en besluiten werden genomen. Hier werd overleg
gepleegd, de strategie uitgestippeld en de planning vastgelegd. Vandaar dar
Jezus zegt, dat al de strategie en offensieve plannen, die de hel beramen zal,
niets tegen de Gemeente zullen kunnen uitrichten.
Voor een oppervlakkige waarnemer lijkt dit vergeefs, omdat het schijnt, dat
satan eigenlijk met succes bezig is het Koninkrijk Gods te ondermijnen. Als de
strijd tussen God en satan dan ook ging om de loyaliteit van het grootste deel
van het menselijk geslacht, dan is satan duidelijk de overwinnaar. Maar als het
Gods eigenlijke bedoeling is om een uitgelezen groep mensen te roepen, die de
Gemeente genoemd wordt, en die voorbereid en bekwaam gemaakt wordt om te
heersen in Zijn eeuwig kosmisch Koninkrijk, dan zullen, als Christus met succes
Zijn Gemeente verwerft en traint, de poorten van de hel haar niet kunnen
overweldigen. Als satan erin zou kunnen slagen de roeping der Gemeente te
verhinderen dan zouden de poorten der hel Haar dus overweldigen. Maar vanaf de
geboorte der Gemeente tot aan deze hevig bewogen tijd toe, is satan nooit bij
machte geweest de roeping van de Gemeente tegen te houden. Door tegenstand,
vervolging en martelaarschap heen, heeft de Gemeente steeds haar weg vervolgd.
Noch lijden, noch droefenis, noch verdrukking, noch rampen, noch smart, vervolging
of honger, noch gebrek, gevaar, noch het vuur of het zwaard, niets van dit
alles heeft de voortgang van de gemeente kunnen verhinderen. Dáárom hebben de
poorten van de hel de Gemeente dus niet kunnen overweldigen.
(2) Het geheimenis van Gods hemels huwelijk wordt nog
verdiept door het begrip “Bruidsgemeente”: “samengestelde bruid”. Voor velen
lijkt dit ongepast, omdat we bij een aards huwelijk aan een bruid in het
enkelvoud denken. Deze moeilijkheid verdwijnt, wanneer we ons Paulus’ opvatting
van de Gemeente als een organisch lichaam eigen maken.
“Want gelijk het lichaam één is en vele leden heeft,
en al de leden van het lichaam, hoe vele ook, één lichaam vormen, zo ook
Christus…Want het lichaam bestaat ook niet uit één lid, maar uit vele leden”
(I Korintiërs 12:12, 14).
We beschouwen het menselijk lichaam als één geheel, omdat het één wordt gemaakt
door één bewustzijn. Toch legt Paulus er de nadruk op, dat er niet één lid,
maar vele leden zijn. Zo ook wordt in het visioen van Johannes de Heilige stad,
die de hemelse Bruid vormt, niet door één enkeling maar door een reusachtige
menigte bewoond. Toch zal het, omdat zij één zal zijn in denken en één enkel
harmonieus geheel zal vormen, te vergelijken zijn met de eenheid van het menselijk
lichaam. Dit is der eenheid, waarheen de Gemeente in de loop der tijden op weg
is, en die tot een absolute volmaaktheid verwerkelijkt zal worden door de
Bruidsgemeente in de hemelse stad, het Nieuwe Jeruzalem; dat Johannes uit de
hemel van God zag neerdalen. Die stad zal bewoond worden door een ontelbare
menigte, die door een heilige liefde voor de hemelse Bruidegom zo volmaakt tot
één denken zal zijn samengevoegd, dat zij een enkelvoudig organisme zal vormen.
Zou dit de reden zijn, waarom God zozeer verlangt naar de eenheid onder Zijn
volk en waarom satan zich daar zo wanhopig tegen verzet?
(3) Ook
Nestle en Marshall’s Interlinear Greek-English New testament geeft deze vertaling.
4
VOLMACHT – HET GESCHENK VAN CHRISTUS
“Zie, Ik heb u volmacht gegeven om op
slangen en schorpioenen te treden en tegen de gehele legermacht van de vijand;
en niets zal u enig kwaad doen” (Lucas 10:19).
De “Magna Charta” van de Gemeente
Na de terugkeer van de zeventig discipelen met hun
juichend verslag dat zelfs demonen zich aan hen onderwierpen, antwoordde Jezus
met een verbazingwekkende, verrassende verklaring, waarvan de betekenis
klaarblijkelijk aan vele gelovigen ontgaan is. Hij vertelde hun eerst, dat Hij
persoonlijk gezien had hoe satan uit de hemel viel
(Lucas 10:18). Nu legt Hij datzelfde woord van gezag in hun
handen. Nu zegt Hij: “Ik draag dit gezag over op u”. “Zie,
Ik heb u volmacht gegeven om op slangen (boze geesten) en schorpioenen
(demonen) te treden en tegen de gehele legermacht van de vijand (satan);
en niets zal u enig kwaad doen” (Lucas 10:19; Hebreeën 2:14-15).
Dit is de “Magna Charta” van de Gemeente in haar conflict met satan. Hier ligt
een duidelijk wettige basis voor de bevrijding uit satans slavernij en
onderdrukking, en voor een tegenaanval in de strijd tegen hem. Uit dit en
andere Bijbelgedeelten blijkt, dat het Gods bedoeling is, dat de ware Gemeente,
en niet de satan, de heerschappij uitoefent in de menselijke samenleving.
Organische eenheid
In Efeziërs 1:20-22 (die Hij
heeft gewrocht in Christus, door Hem uit de doden op te wekken en Hem te zetten
aan zijn rechterhand in de hemelse gewesten, boven alle overheid en macht en
kracht en heerschappij en alle naam, die genoemd wordt niet alleen in deze,
maar ook in de toekomende eeuw. En Hij heeft alles onder zijn voeten gesteld en
Hem als hoofd boven al wat is, gegeven aan de Gemeente) zet Paulus
uiteen, dat Christus de hoogste autoriteit in het universum is, ververheven
boven iedere naam of kracht of overheid in de schepping. Alle dingen in hemel
en op aarde zijn onder Zijn voeten gesteld, dat wil zeggen, onder Zijn absolute
heerschappij. Dan voegt Paulus er aan toe, dat Hij het Hoofd van de Gemeente
is, Zijn Lichaam is. Hier is niet alleen sprake van een functionele, maar ook
van een organische relatie. Geen mystieke, filosofische, symbolische,
allegorische of organisatorische relatie, maar een organische eenheid.
Om een voorbeeld te noemen: de leden van de directie van een firma
hebben alleen een functionele relatie met elkaar. Maar een arm of hand of
voet heeft een organische relatie met het lichaam, omdat elk lid in leven
blijft door het leven van het lichaam. Precies zo heeft de wedergeboren
gelovige een organische relatie met Christus, omdat de bron van zijn leven in
Hem gelegen is. De Gemeente is niet slechts een organisatie, waarin Christus
als voorzitter fungeert, een Koninkrijk waarin Hij het hoogste gezag voert,
maar een organisme, dat in levende verbinding met Hem staat, omdat Hij de bron
van dat leven is.
Voorafschaduwing van deze organische eenheid
De voorafschaduwing of het type van deze organische
eenheid zien we in de schepping van een bruid voor de eerste Adam. Onder alle
andere schepselen werd geen levenspartner gevonden, die bij hem paste (Genesis
2:20). Geen enkele was zoals hij. Daarom deed de Here een “diepe slaap” over
Adam komen. Uit een wond in zijn zijde werd een rib genomen en daaruit een
passende hulp voor hem gemaakt. “Nu was er een levend wezen, dat Adam begreep,
iemand, die kon delen in zijn plannen, idealen, doelstellingen, hoop en angst,
iemand, die kon liefhebben zoals hijzelf liefhad en die kon leven, zoals
hijzelf leefde” (T.H. Nelson). “En Adam zeide: “Dit
nu is eindelijk been van mijn gebeente, en vlees van mijn vlees” (Genesis
2:23). Dit was een organische relatie.
In I Korintiërs 15:44-47 wordt Christus de “tweede mens”, de “laatste Adam”
genoemd. Evenals bij de eerste Adam was het noodzakelijk, dat Christus, de
tweede Mens of de laatste Adam, ook een bruid kreeg. Evenals de eerste Adam
ging Hij door een “diepe slaap” van dood en opstanding. Uit de wond in Zijn
zijde is de Gemeente door geloof uit God geboren als de Bruid van Christus. In
Openbaring 21:9 wordt zij de Bruid, de Vrouw van het Lam genoemd, en in
Efeziërs 5, het hoofdstuk dat zowel over het aardse als over het hemelse
huwelijk handelt, zegt Paulus in vers 30, dat, zoals Eva uit Adam was, ook wij,
de Gemeente, “leden van Zijn Lichaam, van Zijn
vlees en Zijn gebeente zijn”. De Gemeente is nú Zijn Lichaam. Aan het
bruiloftsmaal van het Lam zal zij Zijn Bruid zijn.
Op de troon gezeten vanwege deze organische eenheid
Al het voorgaande bevestigt duidelijk het organische
karakter van de eenheid tussen Christus en Zijn Gemeente. Als Christus,
verheerlijkt als de hoogste autoriteit in het universum, nu gezeten is aan de
Rechterhand van de Vader en alle gezag van God zowel in de hemel als op de
aarde uitoefent, en als de Gemeente als Zijn Lichaam in een organische eenheid
met Hem als het Hoofd verbonden is, waar is dan de plaats van de Gemeente? Zou
die ergens anders kunnen zijn, dan op de troon met Christus? En dit is in
overeenstemming met wat Paulus in Efeziërs 2:5-6 schrijft, dat, nadat God ons
met Christus levend gemaakt heeft, Hij ons ook met Hem opgewekt heeft en ons
mede een plaats in de hemelse gewesten gegeven heeft in Christus Jezus. Met
andere woorden, we zijn rechtens al met Christus op de troon gezeten, omdat we
organisch met Hem verenigd zijn en daarom reeds hier en nu onze heerschappij
met Hem begonnen zijn. Wij zijn mede-gekruisigd, mede-opgewekt,
mede-verheerlijkt, mede-op-de-troon-gezeten met Christus.(1)
Praktische uitwerking van deze organische eenheid
Ofschoon, dit voor het natuurlijke verstand volslagen
onzin lijkt, is het niettemin waar. Ondanks haar jammerlijke zwakheid, haar
verschrikkelijke mislukkingen en haar niet te verontschuldigen tekortkomingen,
is de Gemeente toch de grootste kracht voor de ontwikkeling van beschaving en
sociaal bewustzijn in de wereld van vandaag. In de antieke wereld bleek, dat
naarmate de kennis van en de eerbied voor God verdween, morele ontaarding en
misdaad de sociale orde vernietigde. “De aarde was
verdorven voor Gods aangezicht en de aarde was vol geweldenarij. En God zag de
aarde en zie, zij was verdorven, want al wat leeft had zijn weg op de aarde
verdorven. Toen zeide God tot Noach: Het einde van al wat leeft is door Mij
besloten, want door hun schuld is de aarde vol geweldenarij, en zie, Ik ga hen
met de aarde verdelgen” (Genesis 6: 11-13). Het is tegenwoordig al net
zo. De enige macht in de wereld, die satans totale heerschappij over de
menselijke beschaving betwist, is de Gemeente van de levende God. Als satan
geen tegenstand zou ondervinden; als hij niet in bedwang gehouden zou worden
door het door de Geest geïnspireerde gebed en het geheiligde leven van Gods
volk, “dan zouden de zuilen van het firmament zelf uit bederf bestaan en het
fundament van de aarde op stoppels gebouwd zijn”. Als niets hem zou
tegenhouden, zou satan hier en nu van de wereld een hel maken. De enige
reddende en genezende kracht in de verschrikkelijke wildernis van het menselijk
leven komt voort uit het kruis van Golgotha. De enige puur onzelfzuchtige
liefde in de wereld komt voort uit de bron van het Bloed, dat voor ons vloeide.
Zonder de volkomen onbaatzuchtige liefde, die op het bloed-bevlekte kruis
geopenbaard werd, zou totale zelfzucht de overhand hebben. En totale zelfzucht
betekent totale vijandschap. En totale vijandschap betekent totale anarchie…en
dat betekent de hel.
Beschaving – een bijproduct van het Evangelie
Alle zegeningen van vrede en rust, zonder welke er geen
stabiele orde en geen beschaving mogelijk is, zoals wij die kennen, zijn
vruchten van het Evangelie. En de ware Gemeente is de hoedster van dat
Evangelie. Daarom is de ware Gemeente van centraal en fundamenteel belang voor
alle andere structuren op sociaal, politiek en bestuurlijk gebied daar die van
haar afhankelijk zijn. Zonder de morele en geestelijke invloed, verspreid door
het Woord van God, gepredikt door de Gemeente, zou er geen gunstig klimaat zijn
voor zaken doen en handel drijven of voor activiteiten op cultureel,
pedagogisch of sociaal gebied. Zonder kennis van en eerbied voor God kan de
overheid niet ordelijk en doelmatig functioneren. Democratie en beschaving,
zoals wij die kennen, hebben de bescherming van wet en orde nodig om te kunnen
functioneren. Deze bescherming wordt alleen daar doeltreffend gehandhaafd en
onderhouden, waar het Evangelie zijn zegenrijke levenwekkende invloed kan
uitoefenen. De westerse beschaving, zoals wij die tot nu toe kennen heeft de
hoogste levensstandaard, de grootste vrijheid en persoonlijke veiligheid, de
meeste vrede en rust in het gezin geboden, en is zeer zeker een bijproduct van
de Joods-Christelijke ethiek en de door Jezus Christus tot stand gebrachte verzoening.
De Gemeente houdt de machten in evenwicht
Uit her Evangelie zijn dus alle grondbeginselen, normen
en karaktereigenschappen voortgekomen, die het fundament vormen van ons morele,
geestelijke, sociale en politieke welzijn. De Gemeente is de hoedster en
rentmeester van dat Evangelie. Naar de mate waarin de Gemeente trouw geweest is
aan deze haar toevertrouwde opdracht, is zij in de geschiedenis de reddende en
behoudende invloed geweest in de menselijke samenleving. Naar de mate waarin de
Gemeente trouw geweest is aan deze haar toevertrouwde opdracht, is zij in de
wereld van fundamenteel belang geweest op het terrein van liefdadigheid. Naar
de mate waarin de Gemeente trouw geweest is aan deze haar toevertrouwde
opdracht, heeft zij de machten in evenwicht gehouden, doordat zij de ontbinding
en het bederf in de geordende kosmos geweerd heeft.
Jezus vertelde geen fabeltjes en sprookjes, toen Hij in Mattheüs 5:13-14 tot
Zijn discipelen zei: “Gij zijt het zout der aarde”
en “Gij zijt het licht der wereld”. De
wereld is over het algemeen volkomen blind voor dit feit, maar als de
reinigende en behoudende invloed van de Gemeente er niet zou zijn, zou het hele
bouwwerk, dat wij beschaving noemen, uiteenvallen, bederven en verdwijnen.
Daarom is in deze hevig bewogen tijd de Gemeente, die met haar verrezen en
verhoogde Heer verbonden is, het voornaamste behoudende element in de huidige
wereldorde. Krachtens haar organische relatie met Christus, de soevereine
Heer, is zij en niet de satan degene die het machtsevenwicht in de menselijke
samenleving in balans houdt. Het is wáár wat gezegd is: “Het lot van de
wereld ligt in handen van onbekende heiligen”. Deze waarheid is op
heerlijke wijze beschreven in Psalm 149:5-9: “Laten
de vromen juichen met eerbetoon, jubelen op hun legersteden. De lofverheffingen
Gods zijn in hun keel, een tweesnijdend zwaard is in hun hand, om wraak te
oefenen aan de volken, bestraffingen aan de natiën; om hun koningen met ketenen
te binden en hun edelen met ijzeren boeien; om het beschreven vonnis aan hen te
voltrekken. Dat is de luister van al Zijn gunstgenoten. Halleluja!”
George Washington, de eerste president van de Verenigde
Staten van Amerika, erkende de waarde van deze principes, toen hij zei: “Het is
onmogelijk de wereld rechtvaardig te regeren zonder God en de Bijbel”. En een
staatsman als Daniël Webster heeft gezegd: “Als wij ons houden aan de
principes, die ons in de Bijbel geleerd worden, dan zal ons land steeds meer
tot welvaart komen; maar als wij of ons nageslacht Zijn geboden en Zijn gezag
veronachtzamen, dan zal niemand iets kunnen zeggen, wanneer ons plotseling een
catastrofe zal overvallen, die al onze glorie in een diepe duisternis zal doen
verdwijnen”. Gezien het tegenwoordige verval van onze bestaande sociale en
politieke instellingen, klinken deze woorden verwonderlijk profetisch.
De autoriteit van de Gemeente en de vrije wil
De geldigheid van deze principes in aangelegenheden van
de wereld is over het algemeen tamelijk goed bewezen. Maar kan men deze
principes ook toepassen in persoonlijke, individuele gevallen? Wanneer het om
de verlossing van een persoon gaat, wie houdt de machten dan in evenwicht,
satan of de Gemeente? Heeft de Gemeente ook hier volmacht? God heeft in Zijn
Woord gezegd, dat Hij wil, dat allen mensen behouden worden. Mag de Gemeente
bidden voor de redding van een bepaald iemand in de zekerheid, dat hij behouden
zal worden, omdat zij weet, dat het Gods Wil is om ieder mens te redden, die
niet de geheimzinnige grens van de dood overschreden heeft? Of is het geloof
van de Gemeente beperkt omdat de mens een vrije wil heeft en God nooit iemand
tegen zijn wil tot bekering brengt? Moeten we dan zeggen, zoals we zo
vaak doen, omdat “die of die” in morele vrijheid kan handelen, alles wat wij
voor hem kunnen doen bidden is en de rest aan hemzelf en aan God overlaten?
Omdat God ons verzekerd heeft, dat het Zijn Wil is, dat alle mensen behouden
worden, weten we dat wij bidden naar Zijn Wil, wanneer we bidden voor de
bekering van iemand die niet de grens van uiteindelijke en blijvende
onboetvaardigheid overschreden heeft. In I Johannes 5:14-15 zegt de apostel: “En dit is de vrijmoedigheid, die wij tegenover Hem
hebben, dat Hij, indien wij iets bidden naar Zijn Wil, ons verhoort. En indien
wij weten, dat Hij ons verhoort, wat wij ook bidden, weten wij, dat wij de
gebeden verkregen hebben, die wij van Hem hebben gebeden”. De vraag is:
wordt deze belofte opgeheven door het morele vrije handelen van de mens? Moeten
we terugtreden en toezien, dat satan een ziel buitmaakt, omdat God nu eenmaal
niemand tegen zijn wil tot bekering brengt? Is het juist om te menen, dat alles
wat we kunnen doen bidden is en dan de rest aan God en aan die ander over te
laten?
Zijn we niet allen opstandelingen geweest?
Mag ik deze vraag beantwoorden door een andere vraag te
stellen? Gelooft u, dat er ooit iemand behouden werd, die niet aanvankelijk
een rebel was? Hebben wij niet allen vanaf de geboorte God de rug
toegekeerd? Zijn we niet allemaal net als Adam weggelopen om ons voor God te
verbergen? Hebben wij ons niet allen hevig tegen het aandringen van Gods Geest
verzet, voordat wij behouden werden? En zijn we ons niet blijven verzetten
tegen Zijn aandringen, totdat het ons zo overtuigend in een hoek dreef, dat het
tenslotte makkelijker was toe te geven dan in die rebellie te volharden? Bent u
niet tot het punt gekomen, dat de opstandigheid veranderde in overgave, niet
omdat de wil daartoe gedwongen werd, maar omdat verzet pijnlijker was dan
overgave? En ofschoon de wil zich boog, had hij ook, als hij dat gewild had, in
opstand kunnen blijven.
Gebed en verlossing
Gaat het niet meestal zo, wanneer rebellie eindigt in
overgave? Jezus zegt: “Niemand kan tot Mij komen,
tenzij de Vader…hem trekke…” (Johannes 6:44). En de Vader trekt altijd
door middel van Zijn Geest. Terwijl er bij God geen aanzien des persoons is en
het Zijn uitdrukkelijke Wil is, dat allen behouden zullen worden en Hij daarom
in Zijn trouw allen zonder uitzondering zoekt (Johannes 1:9), waarom
bereikt Gods Geest in Zijn zoeken in het ene geval dan wèl Zijn doel en in het
andere geval niet? Zou God in sommige gevallen “machteloos” kunnen zijn? Of
komt het doordat er voor sommigen krachtig, vasthoudend en gelovig gebeden
wordt, terwijl anderen niemand hebben, die voorbede voor hen doet? Als Wesley
gelijk heeft in zijn uitspraak, dat “God niets doet tenzij in antwoord op
gebed”, dan is dit ook waar ten aanzien van de redding van zielen. Dit zou
dan betekenen, dat er zonder voorbede niemand behouden wordt, en dat iedereen,
die gered is, behouden is, omdat er iemand voor hem gebeden heeft. We zijn
het er over eens, dat God verlangt, dat alle mensen behouden worden. Hij
heeft ook voorzieningen getroffen voor de redding van allen. “Zie, het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt”
(Johannes 1:29), en “Hij is een verzoening voor
onze zonden gemaakt” (II Korintiërs 5:21), en zo totaal te worden der
gehele wereld” (I Johannes 2:2). Ofschoon het Gods wil is dat allen behouden
worden en ofschoon Hij de voorziening getroffen heeft voor de redding van de
gehele wereld, hangt de verlossing af van de voorbede van de Gemeente.
Diegenen, voor wie de Gemeente in de gebeden worstelt, worden behouden. Alle
anderen gaan verloren. “En na dit gezegd te hebben,
blies Hij op hen en zeide tot hen: Ontvangt de Heilige Geest; wien gij hun
zonden kwijtscheldt, dien zijn ze kwijtgescholden; wien gij ze toerekent, dien
zijn ze toegerekend” (Johannes 20:22, 23). (2)
De ervaring op weg naar Damascus
De bekering van de apostel Paulus is op dit punt een goed
voorbeeld. Er wordt ons niet met zoveel woorden verteld, dat de Gemeente voor
Saulus, haar ergste doodsvijand, gebeden heeft, maar zou iemand er aan kunnen
twijfelen, dat men, precies zoals met Petrus in de gevangenis, “voortdurend tot God voor hem bad” (Handelingen
12:5)? Er kan bijna geen twijfel aan bestaan, dat er wanhopig voor hem gebeden
werd, daar het leven van de Gemeente zelf immers op het spel stond. En hoe kan
men er aan twijfelen, dat het door de voorbede van deze eerste gelovigen
mogelijk werd, dat er in de confrontatie op weg naar Damascus een volslagen
omwenteling teweeg gebracht werd in de ergste vijand van Christus en dat hij
veranderde in zijn grootste apostel? Als God in antwoord op de gebeden van de
Gemeente Zichzelf zó aan Saulus kon openbaren, dat hij Christus aanvaardde, die
hij zo vurig gehaat en vervolgd had, zou er dan iemand buiten het bereik van
Gods Geest zijn, als de Gemeente op dezelfde wijze in de voorbede worstelt?
De machtige wapens van Paulus
Misschien bent u er nog niet van overtuigd, dat deze
principes behoren tot het gebied van de volle morele verantwoordelijkheid.
Misschien twijfelt u eraan, of de autoriteit van de Gemeente ook in
persoonlijke en individuele gevallen van kracht is, omdat de mens een vrije wil
heeft. Misschien denkt u nog steeds, dat, waar het om het behoud van een
bepaald iemand gaat, we alleen maar kunnen bidden en de rest aan hemzelf en aan
God moeten overlaten. Mag ik me dan beroepen op de woorden van de apostel
Paulus in
II Korintiërs 10:4-5? “Ik strijd met Gods wapens,
niet met menselijke, om de weerstand van de duivel te breken. Met deze wapens
zijn alle argumenten waarmee men zich tegen God verzet te ontzenuwen; alle
barrières tussen God en de mensen worden daardoor omver gehaald. Met deze
wapens vang ik alle rebellen en breng ze terug bij God; daardoor veranderen ze
in mensen die Christus van harte gehoorzamen” (HLW). (3)
Vrijheid van keuze
Heeft Paulus, toen hij deze woorden schreef, de vrije wil
of de volle verantwoordelijkheid van de mens genegeerd? Of heeft hij gedacht
aan de manier waarop hij die dag, op weg naar Damascus, door de Heilige Geest
neergeworpen werd, terwijl hij toch bezig was dreiging en moord te blazen tegen
Christus en Zijn volgelingen? Heeft hij zich herinnerd, wat die stem uit de
hemel zei over de pijn van het slaan tegen de prikkels? Heeft hij eraan gedacht
hoe de verlangens van zijn eigen hart door het machtige Licht van de Heilige
Geest ogenblikkelijk veranderden in een verlangen om Christus gehoorzaam te
zijn? Was dit de inspiratie voor zijn geloof, dat deze zelfde wapens, die hem
van een rebel in een gewillige “gevangen” van Christus veranderden, in zijn
handen even doeltreffend zouden zijn om “opstandelingen” gevangen te nemen en
hen tot God terug te brengen?
Let erop, dat Paulus bij het gebruik van deze wapens de vrijheid van keuze van
de rebellen niet aantast. Hij gebruikt geen dwang. Door middel van deze wapens
verandert hij hun rebellie in vrijwillige medewerking. Hun eigen wil wordt geen
geweld aangedaan. Zij worden gewillige “gevangenen” van Christus. Als
dergelijke wapens aan Paulus ter beschikking stonden, zijn ze dan ook niet
beschikbaar voor de Gemeente, aan wie Christus de autoriteit gaf over alle
macht van de vijand?
Een rebel gewonnen
Mijn moeder gebruikte deze wapens tegen mij. Ik stond
even vijandig tegenover God als iedere andere zondaar. Ik vocht uit alle macht.
Maar er kwam een tijd, dat het gemakkelijker voor me was mijn wapens van
rebellie neer te leggen dan om me te blijven verzetten. De druk, die de Heilige
Geest op mij uitoefende, werd zo zwaar, dat ik verlichting zocht door mijn
opstandige wil op te geven. Gods liefde trok zo sterk, dat ik mij vrijwillig
overgaf aan Zijn verlossende genade. Ik werd een gewillige “gevangene”.
Zo kan God met iedere zondaar handelen en dat doet Hij ook, wanneer de Gemeente
deze machtige wapens van vasthoudend gebed en geloof leert gebruiken. Het is
mijn vaste overtuiging, dat, zolang een ziel de grens van de dood niet heeft
overschreden, de Gemeente in vaste zekerheid en geloof voor het behoud van die
ziel mag bidden. Halleluja!
Aantekeningen
(1) Voor vele mensen betekent dit een onmogelijk raadsel,
een onbegrijpelijke puzzel, een onoplosbaar mysterie. Hoe kunnen we organisch
verbonden zijn met Christus en met Hem in de hemelse gewesten gezeten zijn,
terwijl we met onze voeten op deze “terra firma” wandelen en betrokken zijn bij
de prozaïsche bezigheden van het dagelijks leven? Paulus reikt ons de sleutel
van dit geheimenis aan in I Korintiërs 6:17.
“Maar die zich aan de Here hecht, is één geest met
Hem”. In sommige filosofische systemen wordt de geest beschouwd als de “essentiële
werkelijkheid”. De materie is, zegt men, een bijkomstigheid; d.w.z. het
ontleent zijn realiteit aan zijn relatie tot de geest. B.v. als de geest het
lichaam verlaat, gaat het lichaam tot ontbinding over. De structuur van het
lichaam gaat verloren, omdat het voor zijn bestaan afhankelijk is van de geest.
De geest is een onafhankelijke werkelijkheid. Het lichaam is slechts een
betrekkelijke werkelijkheid. Het is de geest, die het lichaam leven geeft en
het staande houdt. Dit bedoelen we, als we zeggen dat de geest een essentiële
werkelijkheid is, en dat de materie bijkomstig en een betrekkelijke
werkelijkheid is. Met andere woorden, mijn geest is mijn werkelijke “ik”, de
echte persoon. Daarom is ook de mens, die verbonden is met de Heer, als één
geest, in zijn essentiële wezen, gezeten met Christus in de hemelse gewesten. Terwijl
het lichaam hier is, is het werkelijke ik dáár. Terwijl het lichaam slechts op
één plaats tegelijk kan zijn, is de geest niet zo beperkt. Omdat “hij die zich
aan de Here gehecht heeft, één geest met Hem is “, daarom is de Gemeente, omdat
Christus verheerlijkt en op de troon
gezeten is, met Hem verheerlijkt en op de troon gezeten.
(2) Het woord uit Johannes 20:23 wordt op veel
tegenstrijdige manieren uitgelegd. “Wien gij hun
zonden kwijtscheldt, dien zijn ze kwijtgescholden; wien gij ze toerekent, dien
zijn ze toegerekend”. We schrikken er bijna van, dat Christus Zijn gezag
om zonden te vergeven aan Zijn discipelen en dus ook aan de Gemeente zou hebben
overgedragen. Maar in diepste wezen is dit waar. Door het gebruik van de haar
van God gegeven genade van geloof en gebed, opent de Gemeente de weg voor de
Heilige Geest om Zijn bediening van overtuiging van zonden en tot inkeer
brengen uit te oefenen. Door het werk van de Geest, in antwoord op het gelovig
gebed van de Gemeente of haar leden, komt de zondaar tot bekering en tot geloof
om vergeving te ontvangen. En God, de enige, Die de macht heeft om zonden te
vergeven, spreekt uiteindelijk de mens vrij. Maar omdat dit alleen plaats vindt
als resultaat van de worsteling in de voorbede van de Gemeente, is zij in
waarheid betrokken bij de vrijspraak. Daarom kon Jezus zeggen tot Zijn
discipelen en dus tot de geheiligde Gemeente: “Wien
gij hun zonden kwijtscheldt, dien zijn ze kwijtgescholden; wien gij ze
toerekent, dien zijn ze toegerekend”. In diepste wezen ligt dus de
verantwoordelijkheid voor de vrijspraak in handen van een in de voorbede
worstelende Gemeente, in plaats van bij een priester die wellicht dit gezag
voor zich opeist.
(3) Men heeft erkend dat de parafrase op de ,juiste
manier is toegepast.
5
DE WETTIGE BASIS VOOR HET GEZAG VAN DE GEMEENTE
Was Golgotha een overwinning of een nederlaag?
Het is van levensbelang voor iedere gelovige er absoluut
zeker van te zijn, dat Golgotha een onbeschrijfelijke glorieuze overwinning
was. Als de gelovige dit niet ten volle beseft en niet diep overtuigd is van
deze vaste basis van zijn geloof, dan zal hij, belemmerd door twijfel, niet bij
machte zijn doeltreffend over satan te heersen. Dit hoofdstuk en het volgende
trachten iedere twijfel weg te nemen en proberen aan te tonen, dat Christus
door Zijn kruis op Golgotha en Zijn nederdaling ter helle de duivel volkomen en
onherroepelijk verslagen en ontwapend heeft, zodat Paulus over de satanische
machten spreekt als “onttroonde machten die nog regeren” (I Korintiërs 2:6 –
Moffat).
De realiteit van Christus’ overwinning op Golgotha wordt heden ten dage
openlijk getart door de nieuwe zich uitbreidende satanskerk. Golgotha wordt
daar voorgesteld als een nederlaag, als een domme vertoning van onmacht.
In de satansbijbel wordt het kruis een symbool van “onmacht hangend aan een
paal”. In de satans-liturgie wordt satan “de onbeschrijfelijke grote vorst van
de duisternis, die over de aarde regeert” genoemd. Hij wordt verder voorgesteld
als degene die Christus het initiatief ontnomen heeft, die het “blijvende
bederf uit Bethlehem” genoemd wordt, “de vervloekte Nazarener”, “de machteloze
koning”, “de voortvluchtige, zwijgende god”, “de gemene en verafschuwde
pretendent die aanspraak maakt op de macht van satan”.
Satan wordt beschreven als “de grote satan”, “de vorst der duisternis”,
“satan-lucifer die de aarde regeert”, die de “Christelijke gunstelingetjes
wankelend naar hun ondergang jaagt”. Hij wordt ook uitgebeeld als “de heer van
het licht”, met de engelen van Christus, de cherubs en de serafs, die zich
“ineenkrimpend en bevend van angst voor hem neerbuigen”, terwijl hij “de
poorten van de hemel met donderend geraas verbrijzelt”.
Dit is een voorbeeld van de manier, waarop satan voortdurend probeert de Gemeente
en de wereld ervan te overtuigen dat hij bijna, of net zo machtig is als God.
De wereld is door deze valse voorspiegelingen vrijwel overtuigd, en de Gemeente
zelf heeft te lijden onder deze druk.
Dit komt, omdat het satan gelukt is verborgen te houden, wat er in
werkelijkheid met hem gebeurd is, niet alleen op Golgotha zelf, maar tussen
Golgotha en de opstanding. Op de wereld in het algemeen, maar ook op veel
gelovigen komt Golgotha als een nederlaag over. Ondanks hetgeen we als ons
geloof belijden, worden velen achtervolgd door het heimelijke vermoeden, dat
tenslotte toch de satan daar als overwinnaar tevoorschijn kwam. Als we echter
het conflict tussen Christus en satan vanuit een gerechtelijk standpunt
bekijken, dan zien we afdoende bewezen, dat de Gekruisigde de Overwinnaar is.
Het wettelijke aspect van die overwinning is het onderwerp van dit hoofdstuk.
De opdracht van Adam – heerschappij over de aarde
Om te kunnen verstaan wat er op Golgotha gebeurde, moet
men eerst begrijpen wat er wettelijk gezien plaatsvond bij de val van Adam. De
mens werd geschapen om gezag uit te oefenen. Hij werd geschapen en geformeerd
om te heersen. Toen hij uit de hand van God tevoorschijn kwam, werd hem de
heerschappij over de aarde gegeven en het koningschap over alle levende wezens.
In Genesis 1:26 wordt vermeld: “En God zeide: Laat
Ons mensen maken naar ons beeld, als Onze gelijkenis, opdat zij heersen over de
vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over het vee en over de
gehele aarde en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt”. De
schrijver van Psalm 8 voegt hieraan toe: “Gij doet
hem heersen over werken Uwer handen, alles hebt Gij onder zijn voeten gelegd”.
Adams tragische mislukking
De hele kosmos wordt op grond van wetten geregeerd. Zo
berust ook de verlossing van begin tot het einde op een systeem van Goddelijke
jurisprudentie. Zij heeft een wettelijke grondslag. Gods opdracht van gezag en
heerschappij over de aarde aan de mens, was in goed vertrouwen gegeven.
Wat de mens ermee zou doen, was voor zijn eigen verantwoording. Als hij het bij
wijze van spreken zou verknoeien, zou God het hem op wettelijke gronden niet
opnieuw kunnen geven. Zonder twijfel had de Almachtige de macht om satans
overwinning op Adam en zijn erfenis nietig te verklaren, maar dat zou inbreuk
gedaan hebben op Zijn eigen regeringsprincipes. Als God buiten de mens om het
recht op deze aarde met geweld van satan zou hebben afgenomen, dan zou dat
zonder vorm van proces gebeurd zijn.
Iemand gezocht, die op wettige gronden satans recht
betwisten kan
Toen Adam verkoos om satan te gehoorzamen, werd hij diens
slaaf. “Weet gij niet, dat gij hem, in wiens gij u
stelt als slaven ter gehoorzaamheid, ook moet gehoorzamen als slaven”? (Romeinen
6:16). Als slaaf van satan verloor Adam al zijn wettige rechten, niet alleen
persoonlijk, maar ook wat zijn heersersgebied betreft. Dit gaf satan wettig
gezag om over de mens en de aarde te heersen. Als satans heerschappij herroepen
moest worden, dan moest er ook een manier gevonden worden om de gevallen mens
te verlossen en zijn verloren gezag te
herstellen zonder de rechtsprincipes van het universum te schenden. Aangezien
satan nu de rechtmatige bezitter van Adam en de wettige regeerder over de aarde
was, had God volgens Zijn eigen rechtscode geen mogelijkheid om dit zo maar
ongedaan te maken. Een engel kon die strijd niet aanbinden, omdat deze
wettelijke rechten hem nooit hadden toebehoord. Dus moest er een lid van Adams
geslacht gevonden worden, dat kon voldoen aan de eisen om een rechtsgeding te
kunnen aangaan voor het gerechtshof van het universum, om daardoor Adams
erfenis en heerschappij aan de satan te ontrukken. De heerschappij over de
aarde werd aan een mens toevertrouwd; een mens verloor haar ook weer. En zij
kon volgens de wet slechts door een mens teruggewonnen worden. Maar waar was de
mens, die dit zou kunnen doen? Omdat Adam een slaaf van satan was, was zijn
gehele nageslacht aan satan onderworpen. Een slaaf heeft geen wettige positie
en kan geen proces aanspannen of rechtmatig deelnemen aan een rechtsgeding. Dus
kon geen van Adams zonen voldoen aan de eisen om de strijd aan te kunnen
binden. Er moest een lid van het menselijk geslacht gevonden worden, waarop
satan geen recht had, iemand, die bevoegd zou zijn om een proces aan te
spannen; om satans wettige aanspraak op de mensheid en de aarde teniet te doen.
De oplossing van het probleem – de menswording van God
Naar de mens gesproken was de situatie hopeloos, maar God
vond een uitweg. “Toen de volheid des tijds
gekomen was, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geboren uit een vrouw, geboren
onder de wet, om hen, die onder de wet waren, vrij te kopen; opdat wij het
recht van zonen zouden verkrijgen” (Galaten 4:4-5). God loste het
probleem op door Zelf Mens te worden. Omdat Jezus verwekt werd door de Heilige
Geest, was Hij NIET een gevallen zoon van Adam. Daarom had satan geen macht
over Hem. Maar omdat Hij “geboren werd uit een vrouw”, was Hij écht mens en was
Hij als een waarachtig lid van het menselijk geslacht bevoegd om een wettige
strijd aan te binden met de bedoeling Adams verloren goederen op te eisen.
De noodzaak van een maagdelijke geboorte
Er zijn er, die zeggen dat het geen verschil maakt of
Jezus van Goddelijke afkomst was of niet. Zij zeggen, dat niets ooit het leven
dat Hij leidde, of de waarheid die Hij onderwees, of Zijn bijdrage aan de
wereld kan veranderen. Maar dit is óf boosaardige opzet óf een onvergeeflijke
oppervlakkige redenering. Als Jezus de zoon van Jozef en Maria was of de zoon
van Maria en iemand anders, zoals sommige critici godslasterlijk gesuggereerd
hebben, dan zou Hij van Adams geslacht zijn, en een slaaf van satan zoals ieder
ander mens. Dan zou Hij onbevoegd zijn om tegen satan een rechtsgeding aan te
spannen. Er moest een mens gevonden worden, die waarachtig mens was, maar geen
afstammeling van Adam om wettelijk als de veeleisende partij erkend te worden. Daarom
was de maagdelijke geboorte noodzakelijk (Lucas 1:35).
De noodzaak van zedelijke volmaaktheid
Er is nog een reden waarom een maagdelijke geboorte van
wezenlijk belang is. Iemand die satan met succes zou kunnen uitdagen, zou niet
alleen waarachtig mens moeten zijn, maar bovendien ook nog iemand, die in
beproeving zou kunnen bewijzen dat hij zedelijk en geestelijk volmaakt was. Ten
einde satan geen kans te geven een greep op Hem te krijgen, zou Hij een
absoluut zondeloos leven moeten leiden. Als Jezus niet de Zoon van God was
krachtens een bovennatuurlijke ontvangenis door Maria, dan was Hij slechts een
zoon van Adam. Als Hij een zoon van Adam was, dan zou Hij de zonde van Adam
geërfd hebben. En als Hij de zonde van Adam geërfd had, dan zou Hij geen
zondeloos leven hebben kunnen leiden. Als Hij geen zondeloos leven geleid had,
dan zou Hij onder de heerschappij van satan gestaan hebben en op morele gronden
gediskwalificeerd zijn om dit rechtsgeding aan te gaan. Teneinde wettelijk
bevoegd te zijn, moest Hij waarachtig mens zijn. Teneinde zedelijk bevoegd te zijn moest Hij onbetwistbaar Goddelijk
zijn.
De mens Jezus tegenover satan
Jezus kwam als waarachtig lid van het menselijke
geslacht. Omdat Hij ontvangen was van de Heilige Geest en uit een maagd
geboren, had satan wettelijk geen recht op Hem. Om op wettige gronden gezag
over Hem te verkrijgen, bleef er voor satan niets over dan te proberen de een
of andere zedelijke fout of onvolmaaktheid in Zijn karakter of gedrag uit te
lokken. Er was maar één manier om dit te doen. Satan moest Hem overhalen of
dwingen de gemeenschap of eenheid met Zijn Vader te verbreken; Jezus onder druk
zetten om ongehoorzaam aan de Vader te zijn en Zich onafhankelijk van Hem op te
stellen. Dit was satans strategie en voornaamste opzet. Dit was de kern van
de worsteling tussen Jezus en de opperheerser der duisternis. Het
lot van de gehele wereld en de mensheid hing af van de uitslag van deze
strijd. Als satan Jezus er op welke manier dan ook toe had kunnen brengen
slechts één gedachte te koesteren die niet naar de wil van Zijn hemelse Vader
zou zijn, dán had satan de overwinning behaald en was hij de onbetwiste heerser
over de wereld en de mensheid gebleven. Als hij de laatste Adam had kunnen
verleiden, zoals hij de eerste Adam verleid had, dan was zijn heerschappij over
de wereld en de mens voorgoed verzekerd geweest. Ofschoon Jezus “God uit God”
was, moest deze strijd door Hem gestreden en overwonnen als “mens uit mens”.
Het zou in tegenspraak zijn met het algemene recht en een waardeloze
overwinning voor de laatste Adam betekenen, als Hij in dit geschil wapens zou
gebruiken of hulpmiddelen zou aanwenden, die niet aan de eerste Adam ter
beschikking hadden gestaan. Ofschoon Jezus over alle hulp van God op Zijn bevel
beschikken kon, trad Hij satan in deze beslissende strijd tegemoet, enkel en
alleen als een niet gevallen mens.
De strijd der eeuwen
Van Bethlehem tot Golgotha woedde het conflict. Bij de
krachtinspanning om de verloren erfenis van Adam terug te winnen, waren de
laatste Adam en de “zoon des dageraads” (Jesaja 14:12) in een dodelijke strijd
gewikkeld. Drieëndertig jaar lang duurde het gevecht onverminderd voort.
Lucifer, de gevallene, eens de lichtdrager, de beschermer van Gods troon, de
hoogste van alle wezens, die vóór de komst van Adam geschapen waren, wendde
alle beschikbare hulptroepen uit de onderwereld in de strijd aan om te proberen
de trouwe toewijding van de God-mens aan Zijn hemelse Vader te doorbreken. Als
slechts één enkele zwakheid aan het licht zou komen, één gedachte van verzet of
eigenwilligheid, dan zouden alle pogingen van Jezus om de wereld en de in
slavernij gebonden mensheid uit de handen van de overweldiger, de overste der wereld, te bevrijden, tevergeefs geweest
zijn. Die gemene duivel, die verdorven vorst der duisternis deed zijn uiterste
best gedurende de jaren in Nazareth, tijdens de verzoeking in de woestijn, door
het verzet van Schriftgeleerden en Farizeeën tegen Zijn bediening, in de hof
van Gethsémane, voor de rechterstoel van Pilatus en tenslotte de crisis van
Golgotha, om de trouwe toewijding van Jezus aan Zijn Vader met geweld te
doorbreken.
De verzoeking in de woestijn
In de woestijn bood satan Jezus een heel korte weg aan
naar de wereldheerschappij; als Hij Zich slechts éénmaal voor hem zou buigen en
hem aanbidden. Satan beweerde, dat aan hem de heerschappij over alle
koninkrijken der wereld gegeven was en dat hij die kon geven aan wie hij wilde.
Jezus ging op deze uitspraak niet in, want Hij wist welke wettige gronden satan
daarvoor aanvoerde. Hij wist ook, dat de enige weg waarlangs Hij de mens zou
kunnen verlossen en zijn verloren bezit herwinnen, de weg van Golgotha was. Hij
overwon deze verzoeking door het Woord van God, hetzelfde Woord, dat
beschikbaar was voor Adam en eveneens voor zijn gehele nageslacht. Hoewel
Adam natuurlijk het geschreven Woord niet had, kende hij in de hof van Eden wel
de omgang met het gesproken Woord door de tweede Persoon van de Drie-eenheid,
het eeuwige Woord, voor de menswording.
Gethsémané
De strijd, die gedurende Zijn hele bediening voortduurde,
bereikte een ongelofelijk hoogtepunt in de hof van Gethsémané. Zijn Geest werd
onder zo’n onbeschrijfelijke en ontzettende demonische en satanische druk
gezet, dat het Jezus op de rand van de dood bracht. Hij riep het uit: “Mijn ziel is tot stervens toe bedroefd” (Mattheüs
26:38), terwijl het zweet als bloeddruppels langs Zijn gefolterde gezicht droop
en op de grond uiteenspatte. Het menselijk verstand staat erbij stil en
menselijke woorden schieten tekort om te proberen dit gebeuren te beschrijven.
Als God had Hij een menigte engelen kunnen roepen, maar als Hij dit gedaan had,
dan had Hij niet alleen als mens geleden.
Het wezen van Jezus’ zielestrijd
Het was niet het vooruitzicht op het lichamelijk lijden,
wat de zielestrijd in de hof van Gethsémané veroorzaakte. Dat was niets
vergeleken met de foltering van Zijn Geest. Het was de smart van een reine ziel
die geen zonde kende, om het onrecht “tot zonde te
worden gemaakt” (II Korintiërs 5:21), en zo totaal te worden
geïdentificeerd met de zonde, dat Hij niet alleen als straf de gemeenschap met
Zijn Vader verloor, maar ook het voorwerp van afschuw van de Vader werd.
Dit was niet alleen maar een gerechtelijke beschuldiging van zonde. HIJ WERD
TOT ZONDE GEMAAKT. Hij werd letterlijk het wezen van de zonde zelf door als
zondoffer te sterven. Hij leed alsof Hij werkelijk Zelf het scala aan
menselijke overtredingen begaan had. Hij werd schuldig bevonden aan de
gezamenlijke zonde van de hele mensheid en veroordeeld om de volle prijs te
betalen en aan de eisen van de gerechtigheid ten aanzien van de zonde van de
hele wereld te voldoen.
De verzoeking van Gethsémané bestond uit het weigeren om de “beker” te drinken.
Hij moest de beslissing nemen of Hij de gemeenschap, die Hij van vóór de
grondlegging der wereld met de Vader had, moest vasthouden of dat Hij deze
onbillijke maar reële vereenzelving met de zonde op Zich moest nemen. Deze
verzoeking was niet denkbeeldig. Hierdoor toch was “Zijn
ziel tot stervens toe bedroefd”. Zijn onbeschrijfelijke zielestrijd kwam
tot uiting in het bloedige zweet en Zijn gebed: “Mijn
Vader, indien het mogelijk is, laat deze beker aan Mij voorbijgaan; doch niet
gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt” (Mattheüs 26:39). Het schijnt dat
hier het dieptepunt van Zijn lijden bereikt is. Hierna verdween elke twijfel
over de afloop, als die er nog geweest was. “Doch
niet gelijk Ik wil”…van deze woorden hing het lot van de gehele wereld
af. Met die beslissing was de crisis voorbij. Hij had de “beker” aanvaard. Wat
er na Gethsémané gebeurde, was bijna een anticlimax. De rechterstoel met de
geseling, de doornenkroon, de marteling van de “Via Dolorosa”, die naar
Golgotha leidde, de eigenlijke kruisiging, dit alles was als een stilte na de
storm, tot op het moment van de feitelijke Godverlatenheid. Op dat moment,
terwijl de hel krijste om Zijn bloed en de Vader Zijn gelaat verborg, werd Zijn
hart gebroken, omdat Hij het niet meer dragen kon en Hij boog Zijn hoofd en
stierf.
Satan door de dood overwonnen
In zijn poging Jezus ertoe te brengen om tegen Zijn
hemelse vader in opstand te komen en Zich aan satan te wijden, dreef deze Hem
openlijk “tot de dood des kruises”. Toen Jezus tenslotte na de doodsstrijd het
hoofd boog en de geest gaf, zonder ooit maar één keer ongehoorzaam te zijn
geweest aan de Vader, werd satan overwonnen. Omdat het uiteindelijke doel van
satan was, bij alles wat Hij deed, om maar één enkele gedachte van opstand
tegen de Vader te bewerken, overwon Jezus toen Hij stierf zonder aan die druk
van satan te hebben toegegeven, ofschoon die overwinning Hem de dood kostte.
Als het resultaat van Golgotha op de juiste waarde geschat wordt, blijkt wat de
betekenis ervan is: DE OVERWINNING DER EEUWEN. Toen Jezus stierf zonder ook
maar in ’t kleinste gefaald te hebben, was het gevolg van Zijn dood niet
alleen, dat de bedoeling van satan
doorkruist werd om een vordering tegen Hem te verkrijgen, maar ook dat alle
wettelijke aanspraken van satan op de wereld en het hele menselijke ras teniet
gedaan werden. Volgens de algemene jurisprudentie wordt iemand, die een moord
begaat, ter dood veroordeeld. Een schuldig bevonden moordenaar verspilt zijn
eigen leven. Hij vernietigt zichzelf. Toen satan de dood van Jezus
bewerkstelligd had, werd hij voor de eerste keer in de eeuwenlange geschiedenis
een moordenaar (1). Hij, die “de macht over de dood” bezat, had sinds de
val van Adam miljoenen straffeloos vermoord, omdat hij hiertoe wettelijk het
recht had. Als slavenhouder had satan wettige rechten op Adam en zijn gehele
nageslacht. Hij kon met hen doen wat hij wilde. Maar hij die “de macht over de
dood had, die hij op ontelbare miljoenen volkomen ongehinderd uitgeoefend had,
beging nu de grootste blunder van zijn hele duivelse loopbaan. In zijn
wanhopige poging om de eenheid van Jezus met Zijn Vader te verbreken,
vermoordde hij een onschuldig Mens, op Wie hij geen wettelijke rechten kon doen
gelden. Daardoor pleegde hij een moord en volgens de Goddelijke rechtspraak
velde hij zijn eigen doodvonnis. Dit werpt een licht op en bekrachtigt de
betekenis van Hebreeën 2:14. "Daar nu de
kinderen aan bloed en vlees deel hebben, heeft ook Hij op gelijke wijze daaraan
deel gekregen, opdat Hij door Zijn dood hem, die de macht over de dood had, de
duivel, zou onttronen". Als dat enige betekenis heeft, dan betekent
het, dat satan nu teniet gedaan is (niet vernietigd, maar teniet gedaan) en dat
al zijn wettelijke aanspraken op de wereld en de mens volledig ongeldig
verklaard zijn. Iemand, die ter dood veroordeeld is, heeft geen enkel recht
meer. Daarom ook heeft satan sinds Golgotha absoluut op niemand of niets meer
enig recht of aanspraak. Welk gezag, hij ook bekleed heeft sinds zijn
verbanning uit de hemel, het is overgegaan in handen van de nieuwe Mens evenals
de verloren erfenis van Adam, die teruggewonnen werd door de overwinning van de
Gekruisigde, Halleluja!
Aantekeningen
(1) Dit is niet in tegenspraak met Johannes 8:44 (“ Gij hebt de duivel tot vader en wilt de begeerten van
uw vader doen. Die was een mensenmoorder van den beginne en staat niet in de
waarheid, want er is in hem geen waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt,
spreekt hij naar zijn aard, want hij is een leugenaar en de vader der leugen”.
We lezen in I Johannes 3:15 dat “ieder, die zijn
broeder haat, een mensenmoorder is”. In deze zin is satan vanaf het begin
een moordenaar geweest, maar in wettelijke zin werd hij pas een moordenaar,
toen hij Jezus aan het kruis doodde.
6
DE KRACHT VAN CHRISTUS' OVERWINNING
De nederdaling ter helle
De overwinning van Christus was niet alleen een wettige,
maar ook een krachtdadige, dat wil zeggen, ze werd behaald door het aanwenden
van onweerstaanbaar geweld. Omdat Hij "tot
zonde gemaakt werd" (II Korintiërs 5:21), doordrenkt werd van
zonde, ja, tot het wezen van de zonde zelf werd gemaakt, werd Hij aan het kruis
verbannen van Gods aangezicht, als iets verfoeilijks. Hij werd met de zonde
gelijkgesteld. Om een rechtsgeldige plaatsvervanger van de mens te worden, werd
Hij gedwongen om helemaal alleen aan de eisen van het recht te voldoen
tegenover de totaliteit van de zonde van de hele wereld, alsof Hij werkelijk
het totaalbedrag van die zonde schuldig was. Zijn ziel werd tot zondoffer
gemaakt voor de zonde van alle generaties der mensheid (Jesaja 53:10). Gods
eeuwige gerechtigheid kon geen stand houden, als Hij zo maar aan de zonde van
de mens zou voorbijgaan. Dan zou hij een paskwil worden. De gerechtigheid
eiste, dat iemand volledig zou boeten voor iedere zonde van het hele menselijke
geslacht. Dat betekende dat het niet voldoende was, dat Christus alleen Zijn
fysieke leven aan het kruis ten offer bracht. (1) Zijn reine menselijke
geest moest "nederdalen ter helle" (Efeziërs 4:9, Handelingen
2:27). Hij was waarachtig mens naar lichaam, ziel en geest. Zijn geest moest
niet alleen in de hel neerdalen, maar in de diepste diepten der hel. Het
doodvonnis moest voltrokken worden. Hij moest "de
dood smaken voor ieder mens" (Hebreeën 2:9). Christus had niet de
gelijkwaardige plaatsvervanger kunnen zijn, als Hij niet eens en voor altijd
voor de eeuwige gevolgen van de gezamenlijke zondeschuld van de wereld
werkelijk betaald had. Dat betekent, dat Hij alles verdragen heeft wat de
mensheid in haar geheel zou hebben moeten ondergaan. T.H. Nelson heeft gezegd:
"Als Christus in de geest niet 'ter helle nedergedaald zou zijn', dan
zouden wij geen rechtsgrond hebben voor de onwankelbare zekerheid, dat wij aan
die afschuwelijke gevangenis zullen ontkomen”.
De smart van de Vader
We verwonderen ons over de gewilligheid van Jezus om die
afschuwelijke beker vol smart te drinken, maar we lopen gevaar te vergeten dat “God (de vader) de wereld zo liefhad, dat Hij Zijn
eniggeboren Zoon gaf”. Jezus was niet de enige in de Godheid Die moest
lijden. We kunnen ons onmogelijk voorstellen hoe de Vader geleden heeft, toen
Hij de Zoon Zijner liefde in de steek moest laten, teneinde voor ons een
volkomen genoegdoening te kunnen bewerken. Hierin lag het wezen van de straf
die Jezus moest dragen en van het leed van de Vader. Maar het
verschrikkelijke hoogtepunt van de smart van de Vader was nog niet het moment, waarop Hij Zijn Zoon in de steek
liet. Iets van wat het de Vader gekost moest hebben, wordt geopenbaard in
Romeinen 8:32. “Hoe zal Hij Die zelfs Zijn eigen
Zoon niet gespaard, maar voor ons allen overgegeven heeft, ons met Hem ook
niet alle dingen schenken? Het eeuwige vonnis over de zonde kon niet
worden voltrokken door alleen Zijn Zoon over te geven. De gerechtigheid eiste,
dat alle grimmigheid van de toorn van de Vader Zelf tegen de totaliteit van de
zonde van de mens over Christus uitgestort zou worden.
Tracht u eens in te denken, wat het de Vader gekost moet hebben de
onschuldige persoon van Zijn geliefde Zoon te treffen met het geweld van Zijn
toorn om de gezamenlijke zonde van de mensheid. Maar de Vader kon hieraan
niet ontkomen. Dit is door Jesaja al eeuwen tevoren voorzegd. “Toch was het het volmaakte plan van de Here om Hem te
verbrijzelen en Hem smart aan te doen. Maar als Zijn ziel tot offer voor de
zonde gemaakt is, zal Hij een menigte kinderen, vele erfgenamen hebben. Hij zal
weer tot leven komen en het plan van God zal in Zijn handen tot bloei komen. En
wanneer Hij (de Vader) dit alles ziet, wat door Zijn zielensmart tot stand
gebracht is, zal dit voor Hem (de Vader) voldoening zijn; en vanwege hetgeen
Hij ondergaan heeft zal Mijn rechtvaardige Dienstknecht velen rechtvaardigen
voor God, want Hij al hun zonden dragen”
(Jesaja 53:10-11 – Living Bible).
Dit was de onmetelijke prijs, die de Vader moest betalen om Zich een volk van
Zijn eigen geslacht te verwerven, een familie, die Hem alleen zou toebehoren,
niet slechts geschapen, zoals de engelen, maar wedergeboren kinderen van Zijn
eigen gezin. En omdat Jezus Zichzelf “door de
eeuwige Geest” als een offer gebracht heeft (Hebreeën 9:14), hebben
Vader, Zoon en Heilige Geest een evengrote prijs betaald, voor dit
wonderbaarlijke verlossingsplan.
De strijd en overwinning van Christus in de hel
Toen aan de eisen van de eeuwige gerechtigheid ten volle
voldaan was, werd Christus “gerechtvaardigd door de
Geest” (I Timotheüs 3:16). Hij werd ook “levend
gemaakt door de Geest” (I Petrus 3:18). Zijn Geest werd niet vernietigd.
Hij stierf alleen geestelijk, zoals iedere zondige menselijke geest sterft. Hij
werd volkomen afgesneden en afgescheiden van God. Dus moest ook Hij, opdat Hij
levend zou worden voor God en hersteld in de gemeenschap met Zijn Vader,
opnieuw tot leven gebracht worden, omdat Hij in wezen de zonde zelve geworden
was. Aangezien de zonde Hem totaal van de Vader vervreemd had, was de enige
manier, waarop Hij weer in de gemeenschap met de Vader hersteld kon worden, die
door een nieuwe geboorte tot nieuw leven. Dit is wat Openbaring 1:5 bedoelt te
zeggen: “Jezus Christus, de Eerstgeborene uit de
doden”. Zolang Hij aan de zonde gelijk was, was Hij in de greep van
satan en diens helse legermacht, precies zoals elke andere verloren zondaar.
Maar toen Hij gerechtvaardigd en levend gemaakt was, omdat in het hoogste
Gerechtshof van het universum het oordeel over Hem uitgesproken was en Hij was
gerechtvaardigd, werden de rollen omgekeerd. De strijd in die put van wanhoop
wordt door Petrus beschreven in Handelingen 2:24. “God
evenwel heeft Hem opgewekt, want Hij verbrak de weeën van de dood, naardien het
niet mogelijk was dat Hij door hem vastgehouden werd”. Dit duidt op een
geweldige inspanning van de kant van de hel. Toen Hij, als waarachtig Mens, de
aartsvijand van God en mensen volkomen ontwapend en onttroond had, brak Hij
triomferend los uit die eeuwenoude gevangenis van de dood. Paulus zegt dat “Hij de overheden en machten ontwapend heeft, en openlijk
tentoongesteld en zo over hen gezegevierd” (Colossenzen 2:15). Het
Engelse woord “spoiled” (ontwapend N.B.G., uitgetogen S.V.) betekent volgens
Websters woordenboek: “een dier de huid afstropen”, “een verslagen vijand
volkomen ontwapenen”, “iets zó beschadigen en kapot maken, dat het onbruikbaar is”,
“vernietigen”. Dit is wat Jezus met satan deed, nadat Hij rechtvaardig
verklaard was en levend gemaakt naar de geest. Deze gedenkwaardige strijd, die
in dat rijk der duisternis plaatsvond, wordt aangeduid met de woorden: “Het was
niet mogelijk, dat Hij door hem vastgehouden werd”. De dood deed zijn
uiterste best om Hem te kluisteren, Hem voorgoed in zijn greep te houden. Alle
hulptroepen van de onderwereld werden ingeschakeld om Zijn opstanding te
verhinderen, maar tevergeefs. Het was onmogelijk voor de dood om “Zijn prooi
vast te houden”. De psalmdichter zegt: “Hij heeft
koperen deuren verbroken en ijzeren grendels verbrijzeld” (Psalm
107:16). Hij kwam triomferend uit die strijd tevoorschijn met de sleutels van
de dood en hel: “Ik ben de Levende, en Ik ben dood
geweest; en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheden, amen. En Ik heb de
sleutels van de dood en het dodenrijk” (Openbaring 1:18).
Michelangelo heeft ons op één van zijn beroemde schilderijen zijn opvatting
over dit gebeuren gegeven. Hij laat ons daarop de deur van die aloude
gevangenis zien, die op bevel van Jezus uit de scharnieren gelicht wordt en
waarnaast een demon verbrijzeld ligt onder het puin van de ineengestorte poort.
Het is wáár, “de dood kon Hem niet vasthouden”. Een welsprekend schrijver heeft
het gebeuren van de opstanding en de verheerlijking van Christus als volgt
beschreven: “Terwijl Hij een geweldige aardbeving veroorzaakte, klom Hij weer
naar de aarde, naar het daglicht en de wereld van levende mensen. Hoger en
hoger steeg Hij door de opengescheurde wolken en langs rijen jubelende engelen,
onder “de opgeheven hoofden van de aloude poorten”, tot Hij Zijn plaats innam
aan de Rechterzijde van de Majesteit in de hemel. In het heelal, in de
koninkrijken van het universum, in licht of duister, in welk tijdperk ook; er
is niemand gelijk aan onze Here Jezus en er is geen macht, die Hem geen
eerbewijs verschuldigd is. In de diepste afgrond was Hij overwinnaar over al
Zijn tegenstanders. In de hemelen schijnen hogere en lagere tronen te zijn,
meer of minder verheven namen, maar Hij steekt ver uit boven hen allen.
Christus, Die aan het kruis stierf, en uit het graf verrees in menselijke
gedaante, is verhoogd om als Mens in de glorie en heerschappij van de Vader te
delen en is vervuld met God eigen volheid, en zonder beperking of uitzondering
tot Hoofd over alles gesteld”. Ja vandaag zit er een waarachtig Mens op
de troon van het universum Die alle autoriteit van de Godheid uitoefent.
De verheerlijking van Christus en de troonsbestijging van
de Gemeente
Toen Christus Zijn plaats in de hemel innam, leverde Hij
het afdoende bewijs, dat satans nederlaag volkomen was, dat hij volslagen te gronde gericht was. De hel was totaal
failliet. Satan was niet alleen beroofd van zijn wettige gezag en heerschappij,
maar ook van zijn wapens door een oneindig veel hogere Macht. Maar dit is niet
alles. Toen Jezus uit die duistere gevangenis uitbrak en “ten hemel voer”,
werden alle gelovigen opgewekt en samen met Hem op de troon gezet. “God echter…heeft ons mede levend gemaakt met Christus…en
heeft ons mede opgewekt en ons mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten”
(Efeziërs 2:4-6 – NBG).
Vereenzelvigd met Christus in Zijn dood en opstanding
In Gods ogen is
iedere gelovige volkomen gelijk aan Christus van het kruis tot de troon. Naar
Zijn Woord zijn wij mét Hem gekruisigd, mét Hem begraven, mét Hem opgestaan,
mét Hem verheerlijkt en mét Hem op de troon gezeten
(Romeinen 6, Efeziërs 2). Hoe moet dit worden opgevat? Laten we het volgende
eens overdenken: De totaliteit van alle zonde van de wereld kon niet op Hem
worden gelegd onafhankelijk van de zondaar zelf. Er bestaat niet zoiets als
abstracte zonde, zonde los van de zondaar. Niet alleen werd de zonde van de
zondaar op Hem gelegd, maar eveneens de persoon van de zondaar zelf. Daarom
droeg Hij, toen Hij naar het kruis ging, het gehele menselijke geslacht met
Zich mee. “Daar wij tot het inzicht gekomen zijn,
dat één voor allen gestorven is. Dus zijn ze allen gestorven” (II
Korintiërs 5:14). “Met Christus ben ik gekruisigd,
en toch leef ik (dat is) niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij” (Galaten
2:20 – NBG). “Het woord is betrouwbaar: immers,
indien wij ook mét Hem gestorven zijn, zullen wij ook mét Hem leven”
(II Timotheüs 2:11). De gehele mensheid werd met Hem vereenzelvigd in de dood, maar
slechts zij, die geloven, worden vereenzelvigd met Hem in Zijn opstanding en
verheerlijking.
Vereenzelvigd met Christus in Zijn verheerlijking en
troonsbestijging
Het verbaast me
niets, dat Hij verheerlijkt is en de troon in de hemel bestegen heeft.
Maar voor ons is het moeilijk om te begrijpen dat wij mét Hem verheerlijkt
zijn. Toch, als "hij die zich aan de Here
hecht, één geest met Hem is"
(I Korintiërs 6:17), dan kan dat
niet anders zijn.
Het verwondert ons niet dat "Hij alle dingen
onder Zijn voeten gesteld heeft". Wat nog niet tot ons begrip is
doorgedrongen, is dat ook ons, als deel van Hem, namelijk zijn Lichaam, alle
dingen rechtens onder de voeten gesteld zijn. Wat we niet beseffen is dat Hij "als Hoofd boven al wat is", gegeven is
aan de Gemeente (Efeziërs 1:22). Dit betekent dat Hij de leiding als
Hoofd over alle dingen aanvaard heeft en behoudt voor het heil van de Gemeente,
gericht op het doel, dat Hij met haar heeft. We hebben de geweldige
betekenis van de Gemeente in Gods bestel onderschat. Zij vormt het centrum en
het motief van al Zijn handelen van alle eeuwen her. Hij doet niets alleen
ten behoeve van Zichzélf. Zij is als volwaardige deelgenoot in al Zijn plannen
betrokken. De Gemeente is Zijn Lichaam, vervuld met Hem, Die alles in allen
volmaakt. Hij is niet volledig zonder Zijn Gemeente, Die Zijn Lichaam is.
Dit is alleen daarom wáár, omdat God Zichzelf vrijwillig deze beperking
opgelegd heeft. In absolute zin is God volkomen zelfgenoegzaam. Toch heeft Hij
Zich vrijwillig deze beperking opgelegd, opdat de Gemeente rechtens Zijn
gelijke zou kunnen worden. Het is waar, dat het Lichaam niet functioneren kan
zonder het Hoofd. Maar het is even waar, dat het Hoofd naar Zijn eigen keuze
niet functioneren kan zonder het Lichaam. Beide zijn even belangrijk voor het
volvoeren van Zijn plan.
Vereenzelvigd met Christus in Zijn overwinning over satan
Dezelfde waarheid wordt ons geleerd in het beeld van de
wijnstok en de ranken. Zo waar als het is, dat "de
rank geen vrucht kan dragen uit zichzelf, als ze niet aan de wijnstok
blijft" (Johannes 15:4), net zo waar is het, dat de wijnstok geen
vrucht kan dragen zonder ranken, waaraan de vruchten kunnen groeien. Dit
illustreert Gods vrijwillige zelfbeperking, zodat Hij niet alleen de Gemeente
nodig heeft, maar zelfs zonder haar het doel niet kan bereiken, dat Hij Zich
gesteld heeft. Vanwege Gods vrijwillige zelfbeperking is het Lichaam van even
groot belang als het Hoofd, precies zoals ook de rank even belangrijk is als de
wijnstok om vrucht te kunnen dragen. Zijn vrijwillige zelfbeperking heeft
tot doel ruimte te geven aan de leden van Zijn "Bruidsgemeente" om
hun volle potentieel als zonen van Gods geslacht tot ontplooiing te brengen. Hij
heeft met Zijn zelfbeperking bedoeld een proces op gang te brengen, waardoor
Zijn Bruidsgemeente voor eeuwig naar het karakter van de Zoon zal toegroeien,
zodat Hij aldus Zijn plan ten uitvoer kan brengen om "vele zonen tot
heerlijkheid te brengen", tot hun hoogste potentieel, namelijk bloedeigen
broeders van de Eeuwige Zoon.
Hij heeft ons in Zijn familie opgenomen als
"Zijn eigen kinderen", als verwekte leden van Zijn gezin,
verschillend van andere soorten wezens, die slechts geschapen maar niet verwekt
zijn. Door de wedergeboorte zijn wij Zijn "naaste familie"
geworden. Wij zijn organisch gezien een deel van Christus. De gelovigen
hebben, daar ze een deel van Christus zijn, in Hem de overwinning over de
machten der duisternis behaald, die Hij door Zijn eigen kruisdood ontwapend en
machteloos gemaakt heeft. Toen Hij satan de sleutels van de dood en hel uit
handen rukte en uit die diepste afgrond opsteeg, deelden wij in de triomf. Toen
Hij ten hemel voer en Zijn plaats in de hemelse gewesten innam, werden wij
samen met Hem verhoogd. Omdat satan en zijn helse legermacht onder Zijn voeten
gelegd zijn, liggen zij evenzeer onder de onze. Toen Hij satan versloeg, was
dat onze overwinning. Niet voor Zichzelf heeft Hij satan overwonnen. Het gehele
plaatsvervangende werk van Christus was voor Zijn uitverkoren Bruid, de
Gemeente. Hij werd vlees en bloed, zodat Hij de strijd met satan kon
aanbinden en als zondeloos mens ten behoeve van de Bruid, niet ten behoeve van
Zichzelf de overwinning kon behalen. Daarom zijn wij de "baas"
over satan. Hij kan niet meer over ons heersen. Zijn heerschappij over ons
eindigde op Golgotha. In plaats van macht over ons te hebben is het gezag
over hem aan óns gegeven. Dit is de betekenis van onze troonsbestijging.
De guerrilla-oorlog van satan
Als we eenmaal weten wie we zijn, blijft één van onze
grote problemen, dat we dit onder druk van satan zo spoedig vergeten. Want
ofschoon satan zelf weet, wat Christus op Golgotha en door de opstanding met
hem gedaan heeft, en hoewel hij zich ervan bewust is, dat de gelovige als
organisch deel van Christus heerschappij over hem heeft, voert hij nog steeds
een guerrillastrijd tegen de Gemeente door gebruik te maken van uitvluchten,
misleiding en brutaliteit. Al is guerrillastrijd illegaal, toch is het een
strijd, waarmee men geconfronteerd wordt en die gewonnen moet worden. God had
satan helemaal uit de weg kunnen ruimen, maar Hij verkoos hem te gebruiken om
de Gemeente “stage te laten lopen” om haar
te leren overwinnen. Anders zou er van geen enkele vorm van strijd meer sprake zijn.
We zijn in opleiding voor onze taak met Christus op de troon, nadat de Bruiloft
van het Lam plaats gevonden heeft. De kroon is voor de overwinnaar.. en zonder
tegenstander zou er geen praktische oefening kunnen zijn. Als God toestaat dat
satan zijn zwarte mantel over ons heenwerpt, lopen we het gevaar, dat we
vergeten wie we zijn. We lijken dan op de man, waarover Jakobus spreekt, die
zijn gezicht in de spiegel bekijkt en als hij zich bekeken heeft, weggaat en
onmiddellijk vergeet hoe hij eruit ziet (Jakobus 1:23-24). Omdat we zo
gemakkelijk vergeten, dat we uit satans macht verlost zijn, laten we toe, dat
hij ons bedreigt en benauwt. We vergeten, dat we in feite een deel zijn van
Christus en dat satan aan ons onderworpen is. We vervallen onbewust in ons oude
leven van vrees en nederlaag, omdat we onszelf zien zoals we waren en niet
zoals we zijn. We moeten onszelf voortdurend voorhouden en verzekeren, dat we
in Christus zijn en dat satan ons niet kan aantasten, omdat hij Christus niet
kan aantasten. (2)
We weten dat iedereen die een kind van God is, niet doorgaat met zondigen, want
de Zoon van God beschermt hem, en de duivel kan hem nies doen” (I Johannes 5:18
– HLW). Satan wil niets liever dan dat de gelovige vergeet, dat hij met
Christus opgestaan en verheerlijkt is, en dat hij nu in zijn eigenlijke wezen,
dat wil zeggen in zijn geest, mét Christus op de troon gezeten is met alle
vijanden onder zijn voeten. Als hij gebonden blijft door demonen van vrees,
ziekte, kwalen of allerlei belemmeringen, komt dat alleen door onwetendheid van
wat Christus voor hem gedaan heeft of door te vergeten wie hij is.
De bevestiging van onze identiteit
We moeten onszelf voortdurend herinneren aan wat onze
identiteit is door onszelf voor te houden: “Omdat
ik deel heb aan Christus, ‘aanvaard ben in de Geliefde’, neem ik dezelfde
plaats in aan de boezem van de Vader als Hij. Omdat ik deel heb aan Christus,
heeft de Vader mij lief, zoals Hij Christus liefheeft (Johannes
17:23-26). Omdat ik deel heb aan Christus, bezit ik
Zijn wijsheid, omdat Hij mij tot wijsheid geworden is (I Korintiërs
1:30). Om dezelfde reden bezit ik Zijn
gerechtigheid. In de ogen van de Vader is mijn gerechtigheid even juist als de
Zijne, omdat het Zijn gerechtigheid is. Omdat ik organisch gezien deel heb aan
Hem, want Hoofd en Lichaam vormen een eenheid, wordt alles wat Christus is
en wat Hij bezit, mij toegeschreven”. De Vader heeft Zich tot
doel gesteld om al Zijn zonen zo gelijk aan Zijn eigen Zoon te maken, als maar
mogelijk is voor ‘eindigen’ ten opzichte van de Oneindige. Deze gelijkheid
moet eerst in karakter, daarna in voorrechten en macht kenbaar worden. En dat
moet niet alleen maar een wettelijke en theoretische, maar een wezenlijke
werkelijkheid worden. “Want allen die door de geest
Gods geleid worden, zijn zonen van God. En dus hoeven we geen bange, kruiperige
slaven te zijn, maar we moeten ons gedragen als Gods eigen kinderen…En omdat we
Zijn kinderen zijn, zullen we ook delen in Zijn schatten, want alles wat God
aan Zijn Zoon Jezus geeft, behoort ons nu ook toe. Maar als wij willen delen in
Zijn heerlijkheid, moeten we ook delen in Zijn lijden” (Romeinen 8:14,
17).
Het onbegrensde potentieel van de Gemeente
Dit alles verzekert ons ervan dat het Gods bedoeling is,
dat de strijdende Gemeente zou wandelen op dezelfde manier als Jezus, wat
betreft Zijn leven, kracht en Goddelijke vrijheid. “Gelijk
de Vader Mij gezonden heeft, zend Ik ook u”. Het woordje “gelijk”
suggereert, dat we onder dezelfde omstandigheden uitgezonden worden met
hetzelfde gezag en met dezelfde hulpbronnen als de Vader de Zoon gezonden
heeft. God heeft de Gemeente geen willekeurige beperkingen opgelegd voor het
gebruik van Zijn Goddelijke hulpbronnen. Alles wat Hij is, heeft Hij ter
beschikking gesteld aan een gelovige Gemeente. “Uit
Zijn volheid hebben wij allen ontvangen” (Johannes 1:16). “Om te kennen de liefde van Christus, die de kennis te
boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot alle volheid Gods” (Efeziërs
3:18).
Alle beperkingen komen van de kant van de gelovige. Eén der heiligen
heeft het volledige potentieel dat ligt in het wandelen met God tot
werkelijkheid zien woorden. Het is denkbaar, dat anderen kunnen doen, wat één
mens door geloof gedaan heeft. God heeft ons de sleutels van het Koninkrijk der
hemelen gegeven, maar Hij dwingt ons niet ze te gebruiken. Hij wacht… de rest
is aan ons, Zijn Gemeente. Door Zijn overwinning op de satan heeft Hij ons de
benodigde wapens gegeven. Hoe goed we die gebruiken, is onze
verantwoordelijkheid en kan zeer wel de plaats bepalen die we in de
Bruidsgemeente zullen innemen.
Aantekeningen
(1) Toen Jezus riep: “Het is
volbracht”, betekende dat het einde van het Mozaïsche verbond, met zijn
wetten en verordeningen, die Hij volkomen vervulde: “door
het bewijsstuk uit te wissen, dat door zijn inzettingen tegen ons getuigde en
ons bedreigde. En dat heeft Hij weggedaan door het aan het kruis te nagelen.
Hij heeft de overheden en machten ontwapend en openlijk tentoongesteld en zo
over en gezegevierd” (Colossenzen 2:14-15). Zonde is fundamenteel iets
geestelijks, iets dat op het terrein van de geest thuishoort, en waarmee ook op
dit gebied moet worden afgerekend. Als Jezus de volle straf voor de zonde
alleen lichamelijk aan het kruis, d.w.z. door Zijn lichamelijke dood gedragen
had, dan zou de zonde helemaal een lichamelijke daad zijn. Als de zonde een
geheel lichamelijke daad was, dan zou elk mens voor zijn eigen zonde kunnen
boeten door zijn eigen dood. Omdat de zonde fundamenteel, of in de eerste
plaats op geestelijk gebied gelegen is en van de geest is, zou daarom het werk
van Jezus niet volkomen geweest zijn, toen Hij Zijn lichamelijk leven aan het
kruis ten offer bracht? Het was niet volbracht, voordat Hij nedergedaald was
ter helle, en voor eens en altijd voor de eeuwige consequenties van álle zonde
van de wereld betaald had, satan en de gehele legermacht der duisternis
ontwapend had, overwinnend uit de dood verrees, Zijn Bloed in het hemelse
Heilige der Heiligen bracht en het daar op de troon der genade sprenkelde.
Halleluja!
(2) Job 1:9-12 (“En de satan
antwoordde de Here: Is het om niet, dat Job God vreest? Hebt Gij zelf niet hem
en zijn huis en al wat hij bezit aan alle kanten beschut? Het werk zijner
handen hebt Gij gezegend, en zijn bezit is zeer toegenomen in het land. Strek
daarentegen uw hand uit en tast alles aan wat hij bezit – of hij U dan niet
openlijk zal vaarwel zeggen! En de Here zeide tot de satan: Zie, al wat hij
bezit, zij in uw macht; alleen tegen hemzelf zult gij uw hand niet uitstrekken.
Toen ging de satan van des Heren aangezicht heen”) maakt duidelijk dat
zonder Gods toestemming satans ons geen haar op het hoofd krenken kan. Hij
staat geheel onder Gods toezicht. Alleen wanneer de Goddelijke liefde dit
toestaat, kan satan een kind van God aanvallen. en het eindresultaat is voor de
gelovige, die beproefd wordt, altijd “tweemaal zoveel” zegeningen als tevoren(Job
42: 10: “En de Here bracht een keer in het lot van
Job, toen hij voor zijn vrienden gebeden had, en de Here gaf Job het dubbele
van al wat hij bezeten had”).
7
HET GEHEIMENIS DER ONVERHOORDE GEBEDEN
“En dit is de vrijmoedigheid, die wij
tegenover Hem hebben, dat Hij, indien wij iets bidden naar Zijn Wil, ons
verhoort. En indien wij weten, dat Hij ons verhoort, wat wij ook bidden, weten
wij, dat wij de beden verkregen hebben, die wij van Hem hebben gebeden” (I
Johannes 5:14-15).
Dit Schriftgedeelte verklaart, dat voor God, de Vader het horen van een gebed
gelijk is aan het verhoren ervan. Het is één van Gods geïnspireerde
“waterdichte” redeneringen. Wanneer we bidden naar Gods Wil, is het logisch,
dat, omdat het gebed in de eerste plaats door God in ons hart gelegd is, Hij er
veel meer belang bij heeft, dat dit verhoord wordt dan wijzelf. Deze
“waterdichte” redenering kan als volgt luiden: God heeft beloofd die gebeden te
horen en te verhoren, die naar Zijn Wil zijn. Mijn gebed is naar Zijn Wil,
daarom heeft Hij mijn gebed verhoord.
Waarom?
In het licht van deze en vele ander ondubbelzinnige
beloften van gebedsverhoring vragen we ons dan af: “Waarom kunnen er dan
duidelijk onverhoorde gebeden zijn”? Als satan werkelijk verslagen, onttroond,
ontwapend en “vernietigd” is, als de Gemeente in werkelijkheid verheerlijkt is
en met Christus op de troon gezeten, met alle vijanden onder haar voeten; als
haar het “gezag over alle macht van de vijand” gegeven is en, zij door God
afgevaardigd is om Zijn Wil op aarde met kracht uit te voeren, waaróm toont
zij de echtheid van haar triomf in Christus dan niet op een slagvaardige
manier?
We hebben duidelijk gemaakt, dat de Gemeente door haar gebed en geloof, hoe
zwak die ook zijn, toch de beheersende factor is in de menselijke
aangelegenheden, en dat zij de machten in evenwicht houdt. En toch is dit
duidelijk, dat zij niet leeft op het niveau van haar geestelijke mogelijkheden,
zoals het Woord dat uiteenzet. Wat is de reden? Waar ligt de fout?
God wordt gedwarsboomd door zelfzuchtige motieven
Laten we eens en voor al vaststellen, dat elke reden,
voor onverhoord gebed aan de kant van de mens ligt. De meeste, zo niet alle,
schrijvers van de Bijbel nemen aan dat alle gebeden die naar Gods Wil zijn,
verhoord worden. Noch Jezus noch Johannes erkennen zoiets als onverhoorde
gebeden. “Bidt en u zal gegeven worden;
zoekt en gij zult vinden; klopt, en u zal worden opengedaan. Want
een ieder, die bidt, ontvangt, en wie zoekt, vindt, en wie klopt,
die zal opengedaan worden” (Mattheüs 7:7-8). “En wat gij ook vraagt in Mijn Naam, dat zal Ik
doen… Indien gij iets vraagt in Mijn Naam, Ik zal het doen”
(Johannes 14:13-14). Hetzelfde zien we in I Johannes 5:14-15 boven dit
hoofdstuk. Ondanks deze ondubbelzinnige beloften wordt wel op sommige plaatsen
gezinspeeld op gebeden, die niet verhoord werden. (Ik gebruik het woord
“ondubbelzinnig”, omdat er geen onredelijke voorwaarden aan verbonden zijn.)
Als Jakobus het feit erkent, dat er onverhoorde gebeden zijn, dan toont hij
duidelijk aan dat de oorzaak bij de mens ligt. “Gij
bidt wel, maar gij ontvangt niet, omdat gij verkeerd bidt, om het in uw
hartstochten door te brengen” (Jakobus 4:3).
Het gebed van Paulus niet verhoord
Paulus vertelt ons over een onverhoord gebed in zijn
eigen leven, maar hij verklaart ook, dat de reden hiervoor aan de menselijke
kant lag. “Daarom is mij, opdat ik mij niet te zeer
zou verheffen vanwege het buitengewone van de openbaringen, een doorn in het
vlees gegeven, een engel van satan om mij met vuisten te slaan, opdat ik mij
niet te zeer zou verheffen” (II Korintiërs 12:7). Paulus vermeldt ons
verder, dat hij de Here driemaal hierover gebeden heeft om het van hem weg te
nemen, maar zonder gunstig gevolg. De Here weigerde en daar was een reden voor.
Ofschoon dit het enige geval in zijn soort is in het Nieuwe testament, maakt
het een principe duidelijk, dat bijna universeel werkt. Zelfverheffing is
waarschijnlijk de gevaarlijkste en meest dodelijke van alle zonden. Hierdoor
kwam Lucifer ten val met alle tragedie vandien. Hierdoor werd de
oorspronkelijke goed geschapen aarde een chaos, gedompeld in de zwartste
duisternis, waardoor het evenwicht van een gehele planeet werd verstoord. Als
enig schepsel zichzelf of iets anders dan God tot het middelpunt van zijn
wereld maakt, betekent dit rampspoed en zelfvernietiging. Satan, die eens
Lucifer was, is daar een voorbeeld van. Vóór zijn val was hij het hoogste
verheven schepsel, dat vóór de schepping van Adam geschapen werd. In Jesaja 14
en Ezechiël 28:11-15 (S.V.) wordt hij beschreven als een wachter bij Gods
troon, “de gezalfde overdekkende cherub”, “vol van wijsheid en volmaakt in
schoonheid”. Ezechiël zegt dat, terwijl Lucifer zijn plaats vlakbij God had,
zijn hart met hoogmoed vervuld werd, vanwege zijn schoonheid en wijsheid en
zijn schitterende pracht en luister. Vers 18 in de Living Bible geeft dit te
lezen: “Gij ontwijdde uw heiligheid door uw
begeerte naar winst; daarom deed Ik vuur oplaaien als gevolg van uw eigen daden
en stond toe dat dit tot as verteerde”. Zijn begeerte en hebzucht, zijn
machtswellust werden zo door de hoogste gaven die God hem in overvloed
geschonken had, in vlam gezet, dat zijn persoonlijkheid zelf tot ontbinding
kwam. Het innerlijk vuur, opgeblazen door eigenwaan en zelfaanbidding, “verteerde
hem tot as”. Dit is het algemeen patroon van zelfvernietiging. Paulus
onderkende dit gevaar, toen hij Timotheüs waarschuwde, dat een oudste geen
beginneling of pasbekeerde mag zijn, “opdat hij
niet opgeblazen wordt en onder het oordeel van de duivel zal vallen” (I
Timotheüs 3:6). Satan is er op uit om in iedere gelovige het “Lucifer-syndroom”
te verwekken, omdat hij weet dat dit hem, zoals Paulus het noemt, “onder het oordeel van de duivel” brengt (I
Timotheüs 3:6). Eigendunk is altijd van de duivel en het is één van zijn meest
verderfelijke instrumenten. Paulus onderkende dit en duidde precies het gevaar
aan dat er voor hem was om verwaand te worden vanwege “het
buitengewone van de openbaringen, die hij ontvangen had” (II Korintiërs
12:7). Het is wel zeker, dat niemand in deze bedeling ooit zo ingewijd is
geweest in de raadslagen van de Drie-eenheid als Paulus. Om het gevaar te
vermijden dat hij “bovenmate verhoogd zou worden” en daardoor “onder het
oordeel van de duivel” zou vallen, werd Paulus de “doorn in het vlees” gegeven,
en zijn gebed om ervan verlost te worden werd niet verhoord, als maatregel ten
behoeve van zijn eigen veiligheid.
God wordt gedwarsboomd door geestelijke hoogmoed
Al is de situatie van Paulus geheel uniek, toch kan het
principe dat eraan ten grondslag ligt meer als algemeen beschouwd worden.
Slechts weinig mensen kunnen eerbetoon, of die nu van mensen of van God komt,
verdragen zonder verwaand te worden. Welke dienstknecht van God kent niet de
subtiele verleiding tot geestelijke trots, die zich zelfs na een middelmatig
succes aan dient? Hoe dikwijls vertelt iemand over een gebedsverhoring op zo’n
manier, dat hij de verdienstelijke persoon schijnt te zijn en zegt hij dan toch
heel minzaam: “Aan God alleen de eer”.
Het “ik” van de mens is door de zondeval zo opgeblazen, dat het een
gemakkelijke prooi van satan en zijn demonen is.
C.S. Lewis heeft gezegd: “Zij loeren voortdurend op een kans je ‘te lijf te
gaan’ en buiten de kleinste verleiding uit om de gevallen mens opgeblazen te
maken”. Wie weet, hoeveel meer God voor Zijn dienstknechten zou doen, als Hij
het risico zou durven nemen. Als iemand dan niet openlijk een hoge borst opzet
na een geïnspireerde prediking, een bijzondere gebedsverhoring, een
geloofswonder of enig andere openbaring van geestelijke gaven of zelfs een
bepaalde genade van God, dan nog is hij in de verleiding om er zich vanwege de
waardering van mensen heimelijk in te verlustigen. Wanneer men in zulke
gevallen geen bijzondere genade ontvangt, komt men gemakkelijk in de strik van
satan. Omdat de meeste mensen zo kwetsbaar zijn, dat zij bij de minste
aanleiding in hoogmoed vervallen, durft God, hoewel Hij dit erg graag zou doen,
niet velen tegenover de wereld te eren door een bijzondere betoning van Zijn
wonderwerkende kracht in antwoord op gebed.
Dit betekent niet dat God Zijn belofte heeft ingetrokken, wanneer zulke gebeden
schijnbaar niet verhoord worden, maar wel, dat menselijke zwakheid Hem
verhindert de gebedsverhoring, die klaar ligt, werkelijkheid te doen worden. Als
God Zich gedwongen voelde het gebed van Paulus niet te verhoren om te voorkomen
dat hij “zich niet tezeer zou verheffen”, zou dit dan niet een verklaring
kunnen zijn, waarom God veel meer gebeden van Zijn kinderen niet verhoren kan?
De woestijn van de tijd ligt bezaaid met wrakstukken van gebroken levens van de
velen, die eens machtig door God gebruikt werden, maar die schipbreuk leden op
de rotsen van geestelijke hoogmoed. Dit verklaart, waarom Watchman Nee zegt,
dat Gods grote werk hierin bestaat, dat Hij ons, dat wil zeggen ons ik,
kleiner maakt. Want voordat God een werk van waarachtige vernedering en
verbreking in Zijn dienstknechten tot stand gebracht heeft, kan Hij sommige van
hun gebeden niet verhoren zonder teveel risico te lopen, dat zij terecht komen
in de hoogmoed, die voor de val komt. Als God erop zou kunnen vertrouwen, dat
de bidder nederig bleef, wie weet hoeveel meer gebedsverhoringen Hij dan kon
geven.
Dit principe zou ook kunnen verklaren, waarom het gebed om genezing soms niet
verhoord wordt. Als de verhoring van Paulus’ gebed om genezing in zijn situatie
al gevaarlijk voor hem was, hoeveel te meer zal dat bij vele anderen het geval
zijn. Ofschoon niemand na Paulus ooit zoveel reden gehad heeft om zich te
beroemen op het buitengewone van de openbaringen, hebben er weinigen hetzelfde
vermogen om zo nederig te blijven als hij. Zou het mogelijk zijn, dat een reden
waarom sommigen niet genezen worden, is omdat God ziet dat ook zij in
geestelijke hoogmoed zou vallen, waardoor zij “onder het oordeel van de duivel”
zouden komen? Als God het nodig acht Paulus’ gebed om genezing niet te verhoren
om hem nederig te houden, zou dat dan niet een verklaring zijn, waarom gebeden
van anderen soms ook niet verhoord worden?
God wordt gedwarsboomd door gebrek aan gebed
In de vorige hoofdstukken is gesteld dat het gezag over
satan en de zijnen, dat Christus aan Zijn Gemeente overgedragen heeft, geheel
wordt uitgeoefend binnen het kader en systeem van gelovig gebed, zoals God dat
ingesteld heeft. Naar Gods eigen verkiezing wordt deze enorme overgedragen
macht totaal onwerkzaam zonder de gebeden van een gelovige Gemeente. Als de
Gemeente niet bidt, zal God niets doen, omdat Hij daarmee Zijn plan teniet zou
doen om door oefening de Gemeente voor te bereiden op haar taak als heerseres,
namelijk de overwinning van Christus op Golgotha met kracht tot werkelijkheid
te brengen. Als Zijn besluit niet vaststond om de Gemeente tot volwassenheid te
brengen als Zijn mede-heerseres, dan zou God het systeem van gebed in het
geheel niet ingesteld hebben. Het gebed als zodanig heeft geen kracht.
Integendeel, gebed is een erkenning van gebrek en hulpeloosheid. Als God zou
willen, kon Hij willekeurig handelen buiten gebed om. Alle macht vindt immers
zijn oorsprong in Hem en behoort Hem alleen toe. Hij heeft het gebed niet in
de eerste plaats ingesteld als een middel om dingen voor Zichzelf gedaan te
krijgen, maar als onderdeel van het leerplan in de opleiding van de Gemeente
voor haar koninklijke taak , die zij na afloop van het Bruiloftsmaal van het
Lam zal gaan vervullen. Indien zij dit niet begrijpt en zich niet inzet voor
een oprechte samenwerking in Gods gebedsplan, wordt de kracht om satan te
overwinnen en hem op aarde te binden, niet vrijgezet. God heeft de macht
satan te overweldigen, zonder dat Zijn Gemeente door gebed en geloof met Hem
meewerkt, maar als Hij dit zonder haar zou doen, zou zij de mogelijkheid
verliezen om in de praktijk Gods gezag te handhaven en tevens beroofd te worden
van de kans toe te nemen in kracht door het behalen van overwinningen. Dit is
de primaire reden waarom God het systeem van het gebed ingesteld heeft en
Zichzelf onvoorwaardelijk verbonden heeft aan gebedsverhoring. Daarom is er
geen autoriteit buiten volhardend gebed om.
Knappe organisatoren, armzalige bidders
Naar de mate waarin de Gemeente tekort schiet om dit in
praktijk te brengen door zich te geven in gebed en voorbede, naar die mate
bindt zij de handen van God, en verspeelt zij haar recht op de verhoring van
haar gebeden. Dit brengt ons tot de voornaamste reden, waarom zo weinig gebeden
verhoord worden: het gebrek aan gebed zelf. “Gij
hebt niet, omdat gij niet bidt”. Er is reeds eerder op gewezen, dat de
maatschappij voor een totaal verval behoed wordt, ondanks zo weinig gebeden van
zo weinig bidders. Het gebrek aan gebed in de Gemeente hoeft niet bewezen te
worden. Iedereen wordt in zijn eigen geweten van schuld overtuigd. De dagen van
mannen als David Brainerd, de biddende Hyde, Father Nash en E.M. Bounds
schijnen soms tot het verleden te behoren. De Kerk in het Westen heeft de
gebedsvolharding, zoals die voorkomt in de zendingskerken van Azië, Afrika,
Zuid-Amerika, Indonesië en de Ondergrondse kerk achter het IJzeren Gordijn,
verloren. Ja, we zijn wel knappe organisatoren, maar armzalige bidders. Het
verwaarlozen van het gebed is één reden voor zo weinig gebedsverhoring.
Religieuze tredmolens
De gemiddelde plaatselijke Gemeente voorziet in een
programma voor verstandelijk onderricht in de zondagsschool en hulpmiddelen
zoals de vakantie-bijbelschool. Zij organiseert goed verzorgde jeugdprogramma’s
met sociale activiteiten en Bijbelkampen, die ook voor de nodige ontspanning
zorgen. Zij zet zich in voor de training van zondagsschoolleiding en
persoonlijke evangelisatie. Veel
Gemeenten zetten grote campagnes op touw zoals evangelisatiesamenkomsten met
religieus amusement op hoog niveau, waaraan evangelisten met klinkende namen
meewerken. Op veel plaatsen heeft men dankzij een zeer knap beheer een
doeltreffende goed sluitende begroting. Al deze activiteiten verlopen meestal
vlot en gesmeerd. Over al deze programma’s op zich zou ik geen denigrerend oordeel
willen uitspreken. Ze kunnen goed zijn. Maar als ze de plaats moeten innemen
van een programma van gericht gebed, dan zijn ze nutteloos, omdat ze het rijk
van satan geen enkele schade toebrengen. Een Gemeente zonder een goed
doordacht, goed georganiseerd, systematisch gebedsprogramma loopt in een
religieuze tredmolen. Ik vrees, dat dit een juiste beschrijving is van het
programma van de meeste Gemeenten. Als wij de dingen door de ogen van God
zouden kunnen zien, dan zouden we een enorm woud van reusachtige tredmolens
aanschouwen, dat zich over heel Amerika en vele andere landen van de wereld
uitstrekt. Al dat werk kan erg animerend zijn. Het vereist wellicht veel
mankracht, oneindig veel tijd en een reusachtige financiële begroting. Het kan
de illusie geven dat er iets bereikt wordt. Het streelt misschien het eigen ik.
Maar als de Gemeente het werkprogramma, hoe indrukwekkend ook, niet door een
doeltreffend gebedsprogramma ondersteunt, dan is het niet veel meer dan een
religieuze tredmolen. Het berokkent weinig of géén schade aan satans
heerschappij.
Gebed vindt men daar waar echt iets gebeurt
Als onze theologie van het gebed Bijbels is, dan is het
waar dat men dáár gebed vindt waar echt iets gebeurt. John Wesley had gelijk,
toen hij zei: “God handelt alleen in antwoord op
gebed”. Ook S.D. Gordon, toen hij zei: “Gebed
is de winnende slag toebrengen”. En ook E.M. Bounds had gelijk, toen hij
zei: “God vormt de wereld door het gebed. De
gebeden van Gods heiligen vormen het bedrijfskapitaal van de hemel, waarmee God
Zijn grote werk op aarde verricht”.
Er was een tijd, dat ik aan al deze uitspraken twijfelde. Toen ik echter meer
inzicht kreeg in de theologie van het gebed, werd ik van hun waarheid
overtuigd. Juist omdat zij waar zijn, vindt men inderdaad daar gebed waar echt
iets gebeurt.
Israël en Amalek
Dit feit zien we geïllustreerd in het conflict tussen
Israël en Amalek. God had Israël uit Egypte geleid en was bezig om het naar het
Beloofde Land te brengen met het doel het tot het Messiaanse volk op te voeden.
Satan, de grote vijand van God en zijn Messiaans programma trachtte hier het
volk tegen te houden op zijn tocht naar het Beloofde Land. Hij hitste het
heidense volk Amalek, een afstammeling van Ismaël op, en trachtte de
Amalekieten te gebruiken als instrumenten voor tegenstand. Toen men slaags
geraakte, “zei Mozes tegen Jozua: ‘Kies ons mannen
uit, trek op, strijd tegen Amalek; morgen zal ik op de heuveltop staan met de
staf Gods in mijn hand’. Jozua nu deed, zoals Mozes tot hem gezegd had en
streed tegen Amalek; maar Mozes, Aäron en Hur hadden de heuveltop bestegen. En
wanneer Mozes zijn hand ophief, had Israël de overhand, maar wanneer hij zijn
hand liet zakken, had Amalek de overhand” (Exodus 17:9-11). U kent de
rest van de geschiedenis. Als Mozes moe werd en zijn armen rust moest geven, stonden
Aäron en Hur ieder aan een kant, en ondersteunden hem, totdat Amalek totaal
verslagen was en Gods plan met het Messiaans volk voortgang kon vinden.
Overwinning op een bergtop
Voor de oppervlakkige lezer vond de strijd op het
slagveld plaats, waar de troepen strijd leverden. Maar de geestelijk denkende
mens weet, dat de werkelijke strijd gevoerd en gewonnen werd op de berg, waar
Mozes, Aäron en Hur gezamenlijk de staf Gods, het symbool van zijn kracht
omhoog hielden. De Amalekieten waren alleen maar de instrumenten van satan. Ze
werden beheerst en aangevuurd door satanische machten. Toen de drie voorbidders
op de berg in gebed in gezamenlijk gelovig gebed verenigd waren, werden de
demonische machten, die de Amalekieten voortdreven, gebonden en verlamd. Dan
had Israël de overhand. Maar als de vermoeidheid Mozes dwong zijn armen te
laten rusten, dan werden de boze machten ontbonden en gaven zij de vijanden van
Israël weer nieuwe kracht. Daarom verenigden Aäron en Hur zich met Mozes en
sterkten zij hem, doordat zij hem hielpen zijn handen in de voorbede omhoog te
houden tot zonsondergang. Zo, staat er geschreven, overwon Jozua Amalek. Maar
de werkelijke strijd vond op de top van de heuvel plaats. Daar werden de boze
geesten gebonden, zodat Jozua en Israël de overhand konden hebben. “De
beslissende slag” werd toegebracht op het niveau van de voorbede. Jozua en
Israël “plukten slechts de vruchten ervan”. Daarom gebeurt daar iets waar men
gebed vindt. Omdat dit wáár is, is het gebed het grootste voorrecht van de
verloste mens, want het plaatst hem als voorbidder evenzeer aan het front van
de geestelijke strijd, als de voorganger, evangelist, zendeling of welke andere
soldaat van het kruis ook. Bovendien zijn de wapens, die hem ter beschikking
staan, even doeltreffend als die van de grootste geestelijke leider. Zo heeft
S.D. Gordon eens gezegd: “Gebed brengt ons in aanraking met de hele aarde. Ik
kan door mijn gebed harten met God in aanraking brengen in India of China, even
reëel, alsof ik daar zelf aanwezig zou zijn”. Hij zegt verder nog: “Iemand kan
vandaag in de binnenkamer gaan en de deur sluiten, en even reëel een half uur
in India voor God werken… alsof hij daar zelf is” (Quiet Talks on Prayer). Met
andere woorden, het gebed kent geen ruimte of geografische grenzen. Daarom zei
Alexander MacLaren, toen hij het over het zendingsveld had, dat wanneer de
mensen op het thuisfront veel bidden voor de zaak van de zending, er kracht
vrij komt op het zendingsveld, en dat gebrek aan gebed op het zendingsveld
krachteloosheid op het zendingsveld tot gevolg heeft.
Gebed – niet de persoonlijkheid
Kunt u zich voorstellen, dat zielen van de banden van
satan bevrijd worden door middel van menselijk talent, hypnotische kracht,
bekoring van menselijke aantrekkingskracht, welsprekendheid en articulatie, of
magische technieken van de wereld? Deze gaven zouden misschien door God
gebruikt kunnen worden, maar ze zijn op zich totaal onmachtig om ook maar één
ziel uit de banden van de zonde te bevrijden. “Het
vlees doet geen nut” (Johannes 6:63).
Gebed – niet de welsprekendheid
Van hemels standpunt uit gezien worden geestelijke
overwinningen niet in de eerste plaats op de kansel behaald, noch in het
schelle licht van de publiciteit, maar op de verborgen plaats van gebed. De enige
kracht, die satan overwint en zielen bevrijdt uit zijn wurggreep, is de kracht
van de Heilige Geest, en de enige kracht, die de energie van de Heilige Geest
vrijmaakt, is de kracht van het gelovig gebed. Laten we God danken voor
de gaven, talenten en bekwaamheid om het Woord te prediken van mannen als wijlen
Billy Graham. Ik wil deze dingen absoluut niet kleineren. Maar de kracht,
waardoor vele duizenden levens veranderd zijn onder de bediening van Billy
Graham, is niet de kracht van bijzondere gaven, buitengewoon talent, briljante
welsprekendheid of psychologische overredingskracht, maar het is de kracht, die
vrijkomt door het geloof en de gebeden van zijn miljoenen gebedspartners. Van
hemels standpunt uit gezien ligt de verklaring van wat plaats vindt, in het
gebed en de voorbede samen, waardoor Billy Graham omringd en ondersteund werd.
Door de enorme gebedsstrijd, die voor hem gestreden werd, werd satans
legermacht, die tegenstand bood, overwonnen en op dezelfde manier gebonden als
toen Mozes, Aäron en Hur voorbede deden voor Jozua en Israël, toen zij streden
tegen Amalek.
Gebed – niet de kunstgrepen
Daarom is de geestelijke uitwerking van de boodschap van
hen die op de kansel staan, en van hen die voor radio en televisie spreken niet
in de eerste plaats het resultaat van
een voortreffelijke voordracht of een technisch goed programma, of zelfs
niet van de diepe inhoud van hun boodschap. Dit alles is zeker niet
onbetekenend. Zonder dit alles kan de boodschap grote belemmeringen
ondervinden. Maar de kracht, die satan bindt en mensenlevens verandert, komt
alleen vrij door vurig, gelovig gebed. Dit geldt net zo goed voor een boek.
De kunst en het uitdrukkingsvermogen van een schrijver zijn belangrijk. Maar de
boodschap komt niet over, als de Heilige Geest hem niet uitlegt en levend maakt
aan het hart van de lezers. Ook hier is gebed het geheim van de uitwerking,
omdat gebed daar is, waar echt iets gebeurt.
Gebed en beloning
Veel mensen betreuren het, dat zij voor de dienst op het
zendingsveld of voor een ander gekozen taak afgewezen zijn. Door trouwe
voorbede echter zullen zij evenveel volbrengen en een even grote beloning
ontvangen als wanneer zij op het zendingsveld zelf aanwezig geweest zouden
zijn. Zij die klagen dat ze in het leven teleurgesteld zijn, omdat zij geen
uitblinkers zijn of spectaculaire talenten hebben, of zij die door ziekte of
ouderdom al met pensioen zijn, kunnen door trouwe voorbede een even grote
hemelse beloning ontvangen als de meest begaafde werker, en dat alles, omdat
dáár gebed is, waar echt iets gebeurt. “Wie een
profeet ontvangt in de naam van een profeet, zal het loon van een profeet
ontvangen, en wie een rechtvaardige ontvangt in de naam van een rechtvaardige,
zal het loon van een rechtvaardige ontvangen” (Mattheüs 10:41). Als
eenvoudige gastvrijheid een beloning geeft van even grote waarde, dan zal de
dienst van de voorbede zeker niet onbeloond blijven.
Geen plaats van zelfbeklag
Er blijft geen ruimte over voor zelfmedelijden of
jaloezie op de meer begaafde werker, wanneer men bereid is zijn plaats als
gebedsstrijder in te nemen. In het “boek” in de hemel is de naamloze heilige
uit het meest afgelegen en afgezonderde oord, die volkomen over het hoofd was
gezien in de strijd, even belangrijk als de anderen, en als hij trouw is, zal
hij een even grote beloning ontvangen als de meest bekende en begaafde leider.
Halleluja! Alle trouwe gebedsstrijders zijn net zo goed frontsoldaten en
leveren een even grote bijdrage in de oorlog als de zichtbare leider. En zij
zullen evenredig in de beloning delen. “Het lot van
de wereld is in handen van naamloze heiligen”.
De voorbede van Daniël
Een ander voorbeeld hiervan wordt herhaald in Daniël 10.
Het handelt hier weer om de roeping van het Messiaanse volk. Het visioen
betreffende de toekomst van het volk werd aan Daniël geopenbaard aan het einde van
een periode van drie weken vasten. Al die tijd was Daniël in rouw over zijn
volk, dat wil zeggen hij was bezig in gebed en voorbede in verband met de
toekomst van Israël. Toen tenslotte de engel verscheen met de boodschap uit de
hemel, openbaarde hij Daniël de verwonderlijke reden van dit lange oponthoud.
Het gebed van Daniël werd reeds dezelfde dag dat hij begon, verhoord; en
onmiddellijk werd deze hemelse boodschapper met het antwoord uitgezonden. Maar
hij werd tegengehouden. De Living Bible omschrijft dit als volgt: “Diezelfde dag werd ik hierheen gezonden om u te
ontmoeten. Maar eenentwintig dagen lang heeft de machtige boze geest, die het
koninkrijk van Perzië beheerst, mij in de weg gestaan. Toen kwam Michaël, één
van de hoogste officieren van de hemelse legermacht mij te hulp, zodat ik in
staat was door de blokkade van deze overheersende geesten van Perzië heen te
breken” (Daniël 10:12-13).
De strijd in de onzienlijke wereld
Hier wordt een historisch verslag gegeven van een
letterlijk conflict in de onzienlijke wereld. Het is zonder twijfel het patroon
van veel gelijksoortige conflicten, die voortdurend in de geestelijke wereld
woeden. Het verhaal speelt zich af op twee verschillende niveaus. Beneden aan
de rivier is een mens aan het vasten en bidden. Hij worstelt en pleit, hij
houdt aan en gaat hardnekkig door, hij eist op en worstelt strijdend in de
gebeden. Dag aan dag bedrijft hij rouw. Hij heeft de profetie van Jeremia gelezen,
dat de ballingschap zeventig jaar zou duren en hij weet dat de tijd bijna
voorbij is? Het moment van de vervulling is bijna aangebroken. Ofschoon God
soeverein is en Hij, als Hij dat wil, Zijn profetieën zonder hulp zou kunnen
vervullen, realiseert Daniël zich klaarblijkelijk, dat voorbede een rol moet
spelen bij de vervulling van de profetie. God had de profetie gegeven. Toen
het tijdstip van de vervulling daarvan aangebroken was, vervulde Hij de
profetie niet zo maar buiten Zijn gebedsprogramma om. Hij zocht naar een mens,
die Hij een last van voorbede op het hart kon leggen. Voorbede is de meest
onzelfzuchtige zaak die iemand verrichten kan. Zoals altijd lag de beslissing
bij God in de hemel. Een man kreeg de roeping om dit besluit op aarde met
kracht ten uitvoer te brengen door gebed en geloof. Dit gedeelte van de strijd,
de tijden van gebed aan de rivier, speelt zich af in de voor ons zichtbare
wereld. Maar een ander gedeelte van de strijd was onzichtbaar voor aardse ogen.
Terwijl Daniël op de grond liggend voorbede deed, woedde tegelijkertijd een
strijd, een daaruit voortvloeiende veldslag in de hemelse gewesten. Twee
engelen en waarschijnlijk ook de geestelijke machten die onder hun commando
stonden, waren in een hevige strijd gewikkeld die drie weken duurde. Omdat God
niets doen wil tenzij in verhoring op gebed, zou Hij, als Daniël afgemat en
ontmoedigd geworden zou zijn, noodgedwongen iemand anders hebben moeten zoeken
om voorbede te doen of Zijn boodschapper een nederlaag hebben moeten laten lijden.
Ofschoon het gebed van Daniël gehoord was en de verhoring al onderweg was, zou
dit hem vermoedelijk nooit hebben bereikt, als hij het opgegeven had. Daarom
werd op de gebedsplaats aan de rivier de werkelijke veldslag geleverd en de
overwinning behaald. Daar werd de beslissende strijd gestreden.
Waarom volhardend gebed?
Dit Bijbelse verhaal wijst op een principe, dat een
verklaring zou kunnen zijn voor het feit dat veel gebeden klaarblijkelijk niet
verhoord worden. Volgens de belofte van I Johannes 5 wordt ieder gebed naar
Gods Wil dat in geloof is gebeden, in de hemel verhoord. Maar als de satan kan
verhinderen dat een gebedsverhoring de aarde bereikt, zal hij dat altijd
proberen. Volhardende en dringende gebeden zijn niet nodig om een
bereidwillige God over te halen, maar om Hem in staat te stellen de tegenstand
van belemmerde boze machten te overwinnen. Als het Gods bedoeling is om ons
in Zijn gebedsprogramma “stage te laten lopen” om ons te leren satan te
overwinnen, dan kan Hij niet zonder meer de verhinderingen van demonen
wegnemen. Als Hij de Gemeente deze taak uit handen zou nemen en de overwinning
in haar plaats zou behalen, dan zou dit haar groei tot volle wasdom en
bekwaamheid om als overwinnares te heersen, tegenhouden. Dit is de reden die
de Bijbel ons geeft, waarom het zo belangrijk is dat wij volhardend de
verhoring van onze gebeden zullen opeisen. Veel gebeden, die God in de
hemel reeds verhoord heeft, worden wellicht nooit ontvangen, omdat de gelovige
afgemat, ontmoedigd of geïntimideerd wordt en de strijd opgeeft. Jezus vertelt
ons, dat de man, die drie broden nodig had, die van zijn buurman kreeg vanwege
zijn onbeschaamdheid. En Hij voegt eraan toe: “Vraag,
blijf vragen en het zal u gegeven worden, zoek, blijf zoeken en u zult het
vinden, klop, blijf kloppen en de deur zal voor u geopend worden” (Lucas
11:9). Het Woord van God tot de profeet Habakuk is hier van toepassing: “Het gezicht heeft zijn eigen aangewezen tijdstip, het
rijpt, het zal openbloeien; als het nog lang duurt, wacht dan, want het zal
zeker komen, en het zal niet te laat zijn” (Habakuk 2:3 – Moffat). Een
reden waarom vele gebeden klaarblijkelijk niet verhoord worden, is dat de
bidder tekort schiet in vrijmoedig, volhardend gebed, totdat de verhoring
ontvangen is.
Hierover schrijft S.D. Gordon in zijn “Quiet Talks on Prayer”: “Het is een
strijd van hevige wedijver. Satan is een geoefend strateeg, een koppige
vechter. Hij weigert de nederlaag te erkennen, totdat hij niet anders kan. Hij
vecht voor zijn leven… de vijand geeft alleen prijs als hij daartoe gedwongen
wordt. Hij laat alleen los wat genomen wordt. Daarom moet het terrein stap voor
stap veroverd worden… Hij hernieuwt voortdurend zijn aanvallen, daarom moet het
veroverde gebied in de Naam van de Overwinnaar tegenover hem in bezit gehouden
worden”. “Neemt daarom de wapenrusting Gods, om
weerstand te kunnen bieden in de boze dag en om uw taak geheel vervuld
hebbende, stand te houden. Stelt u dan op, uw lendenen omgord met de waarheid,
en bekleed met het pantser der gerechtigheid (onkreukbaarheid)” (Efeziërs
6:13-14). Het gaat hier om een conflict op het terrein van de wil. Als
de wil, volharding en vastberadenheid van satan het langer uithoudt dan die van
de bidder, dan lijdt de laatste de nederlaag. Maar de bidder is door de
overwinning van Christus in het voordeel en behoeft nooit de nederlaag te
lijden. De mens, die volhardend in waarachtig geloof bidt, is
onoverwinnelijk.
De oorzaak van gebedsarmoede
Tot zover hebben we de nadruk gelegd op de gebedsarmoede
en volharding als oorzaken van vruchteloos gebed. In het licht van Gods
ondubbelzinnige beloften van gebedsverhoring, rijst de vraag: waarom
wordt het gebedsleven van de Gemeente zo jammerlijk verwaarloosd? Wat is de
reden van gebrek aan gebed in de Gemeente? Er zijn vele redenen voor te geven,
maar misschien is de meest fundamentele wel deze: Gebrek aan geloof in de
betrouwbaarheid van het Woord van God. Als de Gemeente er ten volle van
overtuigd was, dat beloften vervuld worden, zoals: “Vraag,
en het zal u gegeven worden, zoek, en u zult vinden; klop en u zal
opengedaan worden” (Mattheüs 7:7), dan zou gebed de voornaamste
bezigheid in het Gemeenteleven zijn.
Ongeloof in de betrouwbaarheid van het Woord van God is de eerste grote
oorzaak van gebrek aan gebed. Dit ongeloof is zó diep geworteld, da men het
zich niet bewust is, maar het komt aan het licht door het zwakke gebedsleven
van de Gemeente.
De juiste waardebepaling van het Woord
We hebben een juiste waardebepaling van het Woord nodig.
Volgens Eric Sauer in zijn boek: “The King of the Earth” uit de menselijke
geest zich hoofdzakelijk door middel van zijn spraakvermogen. “De taal is de
directe zelf-openbaring van de innerlijke mens of van de persoonlijkheid.
Gedachten zijn als het ware de inwendige spraak van de geest, en het gesproken
of geschreven woord is de uiterlijke vorm van de gedachten. De taal is het
instrument voor de uiting van de geest”. Uw gedachten zijn wat u bent. “Want zoals een mens denkt in zijn hart, zo is hij”
(Spreuken 23:7). Als gedachten behoren bij het wezen van de mens, zoals deze
tekst ons leert, dan geldt dit ook voor de taal, omdat die de uiterlijke vorm
van de gedachte is. Daarom moet Gods Woord ook waarachtig een deel zijn van
zijn wezen en leeft God Zelf feitelijk in Zijn Woord.
We moeten natuurlijk erkennen, dat in de meest fundamentele zin Jezus Christus
het Woord is. Hij is het Woord dat van den beginne bij de Vader was (Johannes
1:1). Over Hem wordt gesproken als de Logos of het Woord, omdat Hij de
volmaakte openbaring van de Vader is. “Niemand
heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, Die aan de boezem des Vaders is,
Die heeft Hem doen kennen” (Johannes 1:18).
Het eeuwige Woord leeft echter nu niet meer in het vlees onder ons. Maar we
hebben wel zijn equivalent, de Trooster Die Hij gezonden heeft, de Heilige
Geest (Johannes 16:7). De Heilige Geest heeft de inspiratie gegeven voor de
geschreven openbaring van Gods Wezen en handelen, die we nu bezitten en kennen
als de Bijbel. “Elk Schriftwoord is van God
ingegeven en is ook nuttig om te onderrichten, te vermanen, te verbeteren en op
te voeden in de gerechtigheid, zodat de mens Gods volkomen zij, tot alle goed
werk volkomen toegerust” (II Timotheüs 3:16-17). Hoewel Hij mensen als
toebereide instrumenten gebruikte voor het eigenlijke schrijven, is dat wat
geschreven werd, het waarachtige Woord van God. Dit geschreven Woord van God is
de uiterlijke vorm van Gods gedachten. Het geschreven woord bestaat niet uit
“woorden zonder meer”, maar het is tot leven gebracht door Zijn Goddelijke
adem. Daarom is het levend (Hebreeën 4:12), een openbaring van God, een
“uiterlijke vorm” van de Heilige Geest. In deze zin is het waarachtig een deel
van God Zelf en leeft God feitelijk in zijn Woord.
Het geschreven Woord neemt in deze tijd de plaats van Jezus in. Het is
doordrenkt van Zijn persoonlijkheid. Het draagt alle elementen in zich, die in
Jezus waren. Omdat de woorden van Jezus in feite een deel van Hem zijn, is
alle macht en gezag, die Hij bezit, verborgen in zijn geschreven Woord
aanwezig. Het Geschreven Woord draagt dezelfde autoriteit als Jezus’
gesproken Woord. Daarom draagt dit levende Woord, in absoluut geloof, zonder
een spoor van twijfel gesproken door de geheiligde gelovige, die onaantastbaar
is voor satan en die in geen enkel opzicht onder zijn invloed staat – als
gesproken Woord hetzelfde gezag, alsof het door Jezus Zelf uitgesproken werd. Als
het ongeloof niet zo diep in de Gemeente zat, dan zou zij dit gezag voortdurend
tonen. En God zij dank, wordt dit in deze tijd door hen die waarachtig geloven
getoond. God heeft dit Woord geschapen en er kracht aan gegeven. Men kan God
niet van Zijn Woord scheiden. Daarom zei Jezus: “De
Schrift kan niet gebroken worden” (Johannes 10:35). Omdat ze door God
geïnspireerd is, kan ze niet in gebreke blijven, want anders zou God van Zijn
koningschap beroofd worden. Als God Zijn Woord, dat uit Zijn mond uitgaat niet
zou nakomen, zou Hij God niet zijn.
Het geneesmiddel voor gebedsarmoede
Omdat het bovenstaande waar is, is de waarschuwing van
z.g. Bijbelgeleerden tegen Bijbelverering overbodig. Sommigen uiten de
beschuldiging, dat eerbied voor de Bijbel als het onfeilbare Woord van God een
vorm van afgoderij zou zijn. Is dit in het licht van het voorafgaande en van
dat wat God Zelf over Zijn Woord zegt wel mogelijk? “God
is geen mens, dat Hij zou liegen; of een mensenkind, dat Hij berouw zou hebben.
Zou Hij zeggen en niet doen, of spreken en het niet volbrengen”? (Numeri
23:19). “Ik waak over Mijn Woord om dat te doen” (Jeremia
1:12). De schrijver van de Hebreeënbrief verklaart, dat het onmogelijk is dat
God zou liegen (Hebreeën 6:18). In Johannes 10:35 stelt Jezus Zelf
ondubbelzinnig vast dat “de Schrift niet gebroken
kan worden”. Hij bekrachtigde verder de juistheid van de Schriften, toen
Hij tot de Joden zei: “Zij getuigen van Mij” (Johannes
5:39). Hijzelf stond borg voor Hun betrouwbaarheid, toen Hij sprak: “Uw Woord is de waarheid” (Johannes 17:17). De
eerbied, die God Zelf voor Zijn Woord heeft, komt in deze uiterst ongewone
verklaring tot uiting: “Gij hebt vanwege Uw ganse
naam Uw Woord groot gemaakt” (Psalm 138:2 – S.V.). We begrijpen
misschien de betekenis van deze tekst
niet helemaal, maar wel is dit het getuigenis van Gods uiterste trouw
aan Zijn Woord. Zijn eer is hier onlosmakelijk mee verbonden. Als de
Gemeente onvoorwaardelijk zou geloven in de betrouwbaarheid van Gods Woord, dan
zou dit geloof haar van haar gebrek aan gebed genezen.
Succes door volkomen geloof
Daarom kan het feit, dat gebeden die naar Gods Wil zijn
en klaarblijkelijk niet verhoord worden, zijn verklaring vinden in satans
misleidende invloed, zijn grootspraak en tegenwerking, tezamen met verblinding,
onwetendheid, beschroomdheid, persoonlijke karakterfouten en het falen van de
gelovige om in onverschrokken, onwankelbaar geloof te blijven staan. Omdat
God God is, kan men de hemel niet verantwoordelijk stellen voor het feit dat
gebeden niet verhoord worden. “God is waarachtig,
maar ieder mens een leugenaar” (Romeinen 3:4). “God
Die niet liegt” (Titus 1:2). “De Schrift kan
niet gebroken worden” (Johannes 10:35).Laten we niet langer een blaam
werpen op de betrouwbaarheid van het Woord. Geloof zal nooit tot
volmaaktheid kunnen komen, als wij niet onze verantwoordelijkheid voor
mislukking aanvaarden. Het geheim van onverhoorde gebeden is alleen dat de mens
van zijn kant faalt. Alexander MacLaren zegt, dat als we onszelf beter
zouden kennen en zouden kunnen zien, zoals God ziet, we al onze onverhoorde
gebeden zouden kunnen terugvoeren tot tekortkomingen in ons eigen Christelijke
karakter. Wanneer dus de gelovige voortdurend Gods aangezicht blijft zoeken,
met een volkomen aan Hem overgegeven wil, en al in het licht wandelt dat hij
ontvangt, dan mag hij een onbegrensde zekerheid koesteren dat hij, wanneer
zijn geloof volgroeid is, zonder twijfel het antwoord ontvangt op wat hij
gebeden heeft. Zolang het antwoord uitblijft, moet hij weten, dat zijn geloof
onvolkomen is, omdat “het naar uw geloof zal
geschieden” (Mattheüs 9:29).
“Als u gelooft en niet twijfelt… zult u tot deze
berg zeggen: Hef u op en werp u in de zee, en het zal geschieden” (Mattheüs
11:24). “Alle dingen zijn mogelijk voor wie
gelooft” (Marcus 11:24). Klaarblijkelijk erkent Jezus zoiets als
onverhoorde gebeden. Vele dingen kunnen volkomen geloof in de weg staan, maar
als het geloof volgroeid is, wordt de verhoring ontvangen. Dat is een
onfeilbare Goddelijke wet. Het geheimenis van onverhoorde gebeden is alleen
te verklaren uit menselijk tekortschieten en uiteindelijk uit het tekort
schieten door onvolkomen geloof.
8
MOEILIJKHEDEN IN HET GELOOFSLEVEN
“Jezus zeide tot hem: ‘Als gij kunt geloven, alle dingen zijn mogelijk voor wie geloof’ “ (Marcus 9:23).
Het probleem van een levend geloof, van geloof zonder twijfel, is een heel reëel probleem. Velen, die trouw hun stille tijd houden en een toegewijd en gedisciplineerd leven van gebed en voorbede leiden, zijn er nooit helemaal zeker van dat ze de overwinning hebben, omdat hun geloof aarzelend, mat en onzeker is, en dikwijls met twijfel vermengd schijnt te zijn. Grote groeperingen binnen het Lichaam van Christus staan beschaamd door deze plaag. Vaak wordt hun goed georganiseerd gebedsprogramma verlamd door onmacht om tot overwinnend geloof te komen. Omdat niet veel gelovigen weten hoe zij dit geloof dat iets uitwerkt kunnen krijgen en uitoefenen, verzanden vele gebedssamenkomsten in frustraties en nederlagen.
Hoe kan deze moeilijkheid overwonnen worden?
Lofprijzing is het antwoord
Er is veel over gebed gesproken en geschreven, maar tot voor kort hoorden we weinig over lofprijzing. Toch wordt in de Bijbel veel meer de nadruk gelegd op lofprijzing dan op gebed. In de Bijbel wordt de hele schepping, zowel van de bezielde als van de onbezielde dingen, ons voorgesteld als een groot koor vol lofprijzing aan de Schepper. Let vooral op de Psalmen 148-150. Psalm 145:10 verklaart: “Al Uw werken zullen U loven, Here”. Lofprijzing is ook de voornaamste bezigheid van de engelen. De hemel is vol lofprijzing. Cherubs en serafs zijn onafgebroken in aanbidding voor de Heer. “En de vier dieren hadden elk voor zich zes vleugels en waren rondom en van binnen vol ogen; zij hadden dag en nacht rust zeggende: Heilig, heilig, heilig is de Here God, de Almachtige, Die was, Die is en Die komt”
(Openbaring 4:8). “En ik zag, en ik hoorde een stem van vele engelen rondom de troon, en van de dieren en de oudsten; en hun getal was tienduizenden tienduizendtallen en duizenden duizendtallen, zeggende met luider stem: Waardig is het Lam” (Openbaring 5:11-12). “En ik hoorde als een stem van een grote schare en als een stem van vele wateren, en als een stem van zware donderslagen, zeggende: Halleluja, want de Here, onze God, de Almachtige heerst” (Openbaring 19:6). Wat alle tijd en energie in de hemel in beslag neemt, zal toch zeker een passend voorbeeld voor de Gemeente op aarde moeten zijn.
Praktische kanten van lofprijzing
Om de een of andere reden heeft de Gemeente in het algemeen het belang van de lofprijzing onderschat. Velen hebben het idee, dat lofprijzing een schone esthetische bezigheid is, die echter van weinig praktische waarde is. Maar als lofprijzing de voornaamste bezigheid van de engelen is, moet daar wel een geldige reden voor zijn. Als het in de hemel zo belangrijk geacht wordt, dat er dag en nacht een koor rondom de troon onafgebroken God looft en prijst (Openbaring 4:8), dan moet lofprijzing buitengewoon doeltreffend zijn. Zou God activiteiten en werkzaamheden in de hemel dulden, die nutteloos en ongerijmd zouden zijn? We zullen daarom aan enige praktische aspecten van de lofprijzing aandacht schenken.
Lofprijzing en karaktervorming
Als lofprijzing de belangrijkste functie van de engelen is, dan volgt daar vanzelfsprekend uit, dat zij ook voor de mens de voornaamste functie moet zijn. Een steeds toenemende kennis van het oneindig liefdevolle karakter van God is het meest verheven doel van de hele schepping. Dit is het Summum Bonum, het hoogste goed, de grootste vreugde, het meest intense genot, de opperste verrukking en de meest meeslepende vervoering voor de menselijke geest. Precies zoals door tegenstand tegen God, vijandschap en vloeken al het verfoeilijke, duivelse en gemene in de menselijke geest geoefend en versterkt wordt, zo wordt door aanbidding en lofprijzing van de oneindige, liefdevolle God, al het verhevene, voortreffelijke en Goddelijke in de inwendige mens geoefend, versterkt en aangevuld. Dus wanneer iemand tot aanbidding en lofprijzing komt, ondergaat hij een proces van verandering, stap voor stap, van heerlijkheid tot heerlijkheid, naar het beeld van de Oneindige, liefdevolle God. En we mogen verwachten, dat dit proces tot in alle eeuwigheid door gaat. Daarom is lofprijzing de meest vruchtbare bezigheid en activiteit, omdat zij God in staat stelt het hoogst verheven doel van de kosmos te bereiken, namelijk “om veel zonen tot heerlijkheid te brengen”.
Lofprijzing en geestelijke gezondheid
De laatste jaren krijgt het onderwerp van de geestelijke gezondheid onder de gelovigen veel aandacht. Naar men zegt, wordt in de wereld in het algemeen meer dan de helft van de beschikbare ziekenhuisbedden in beslag genomen door slachtoffers van geestelijke of nerveuze aandoeningen. Om dit probleem op te lossen, zijn grote psychiatrische inrichtingen gebouwd en heeft het beroep van psychiater zich ontwikkeld. Ik ben ervan overtuigd, dat een geconcentreerd programma van persoonlijke en gezamenlijke lofprijzing een groot aantal psychiaters hun beroep zou doen verliezen en vele psychiatrische ziekenhuizen zou doen leeglopen. De kern van alle geestelijke en nerveuze kwalen ligt in een overmatige betrokkenheid op het eigen ik, de egocentriciteit. Wanneer de persoonlijkheid zichzelf in het middelpunt plaatst, dat wil zeggen egocentrisch wordt, komt ze tot ontbinding. Vanuit een uiterst egocentrische houding ontstaat een afwerend, vijandig en agressief antisociaal gedrag. Dit zijn volgens de psychiaters de symptomen van geestesziekte, die opname in een ziekenhuis vereisen. Jezelf tot het middelpunt maken, heeft zelfvernietiging tot gevolg. Dit is wat Jezus bedoelt, als Hij zegt: “Want ieder, die zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen; maar ieder, die zijn leven verloren heeft om Mijnentwil, die zal het behouden” (Lucas 9:24).
Lofprijzing haalt het eigen ik uit het middelpunt vandaan
Hierin ligt één van de grootste waarden van de lofprijzing: het eigen ik wordt uit het centrum van ons denken gehaald. De aanbidding en lofprijzing van God vereist, dat het centrum van ons denken verschoven wordt van het eigen ik naar God. Het is onmogelijk God te prijzen zonder het bezig zijn met jezelf op te geven. Wanneer lofprijzing een levensvervulling wordt, dan wordt de oneindig liefdevolle God het middelpunt in plaats van het mislukte ik. Zo komt de persoonlijkheid op de juiste manier met zichzelf in het reine, en verdwijnen druk en spanningen. Het resultaat is geestelijke gezondheid. Lofprijzing heeft ten gevolge, dat men zichzelf vergeet en dit zichzelf vergeten betekent gezondheid.
Lofprijzing kost veel minder
Een psychiater moet men misschien honderd euro’s per uur betalen voor het luisteren en erg diepzinnig kijken, maar u gaat armer weg en niet beter. Maar wanneer een wedergeboren gelovige, die aan depressies en andere emotionele spanningen lijdt, zich tot de Oneindig liefdevolle en Alwijze God wendt en er zich op toelegt Hem veel te aanbidden en te lofprijzen, dan begint een genezingsproces. Daarom is lofprijzing meer dan een religieuze vorm. Het is een uiterst praktische en alleszins de moeite lonende bezigheid.
Lofprijzing en huiselijke vrede
Dit principe heeft een heel plezierige uitwerking in het gezin, waar spanningen en druk zeer dikwijls verdeeldheid dreigen te veroorzaken. Niets kan zelfmedelijden, afweer en vijandschap beter wegnemen dan lofprijzing. Dergelijke huiselijke ondeugden en lofprijzing zijn volstrekt tegenstrijdig. Een vast programma van persoonlijke lofprijzing zal bureaus voor huwelijksmoeilijkheden overbodig maken en het grote aantal echtscheidingen bij gerechtshoven kunnen verminderen.
Een Bijbels voorbeeld
Er zijn nog andere redenen waarom lofprijzing zo bijzonder belangrijk is, en waarom er in de Bijbel zoveel meer aandacht aan lofprijzing wordt besteed dan aan gebed. Om de een of andere reden vreest satan lofprijzing nog meer dan gebed. Dit wordt op heerlijke wijze geïllustreerd in II Kronieken 20. De stammen van Moab, Ammon en de bewoners van het gebergte Seïr hadden een samenzwering gesmeed en verklaarden koning Josafat, de koning van Juda de oorlog. Hij riep onmiddellijk het volk op tot boetedoening, vasten en gebed. Vanuit geheel Juda kwam men samen in Jeruzalem voor een grote gebedssamenkomst. Als gevolg daarvan kwam de profeet Jahaziël de boodschap van God met de verzekering, dat zij zonder strijd de overwinning zouden behalen. Dit gebeuren wordt beschreven in vers 20-22. “De volgende morgen vroeg trokken zij uit naar de woestijn van Tekoa. En terwijl zij uittrokken, trad Josafat naar voren en zeide: Luistert naar mij, Juda en inwoners van Jeruzalem, gelooft in de Here, uw God, en gij zult bevestigd worden, gelooft in Zijn profeten en gij zult voorspoedig zijn. Na het volk te hebben geraadpleegd, stelde hij mannen op, die de Here een lied zongen en Hem loofden in heilige feestdos, terwijl zij voor de gewapenden uittrokken en zeiden: Looft de Here, want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid. Op het ogenblik, dat zij de jubel en de lof aanhieven, liet de Here de Ammonieten, de Moabieten en de lieden van het gebergte Seïr, die tegen Juda waren opgerukt, uit hinderlagen overvallen, en zij werden verslagen”.
Een leger pleegt zelfmoord
Waarom had de lofprijzing zo’n geweldige uitwerking in deze situatie? Omdat het een geestelijke strijd was, een conflict in de onzienlijke geesteswereld. Aangezien uit Juda de Messias zou voortkomen, had satan deze volken de gedachte ingegeven om een samenzwering op touw te zetten met de bedoeling Juda te vernietigen en zo te proberen de komst van de Messias te voorkomen. Maar het gebeds- en lofprijzingsprogramma van Josafat had een vernietigender uitwerking op de vijand dan een gewapende aanval. Versterkt door gebed en vasten van het hele volk brachten de lofprijzing van het koor en de hinderlagen van de Here de boze geesten, die hun vijanden opgehitst hadden, zo in verwarring en verbijstering, dat ze volkomen van de wijs en in paniek raakten en hun hoofd verloren, zodat zij vervielen tot een krankzinnige, hysterische en ongecontroleerde, panische angst. In deze toestand vielen ze elkander aan en hakten elkaar in de pan tot de laatste man toe. Het gehele vijandige leger “pleegde zelfmoord”.
Waarom heeft lofprijzing zo’n krachtige uitwerking op satan?
Mevrouw Frances Metcalf heeft in haar kleine boekje “Making His Praise Glorious” de aandacht gevestigd op de Schriftgedeelten, waarin we lezen, dat God woont “tussen de cherubs”: Psalm 80:2 (“Herder Israëls, neem ter ore! Gij, Die Jozef leidt als schapen,
Gij, Die op de cherubs troont, verschijn in lichtglans”), 99:1(“De Here is Koning. Dat de volken beven, Hij troont op de cherubs, de aarde siddere”) en
Jesaja 37:16 (“Here der heerscharen, God van Israël, Die op de cherubs troont, Gij, Gij alleen zijt God over alle koninkrijken der aarde; Gij hebt de hemel en de aarde gemaakt..”). Terwijl deze Schriftgedeelten slaan op de cherubs, die de ark van het verbond beschermen, zijn deze cherubs een aardse afspiegeling van een hemelse realiteit. Zij ontlenen hun belangrijkheid aan de cherubs, die de troon van de majesteit in den Hoge (Hebreeën 1:3: “Deze, de afstraling zijner heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen, die alle dingen draagt door het woord zijner kracht, heeft, na de reiniging der zonden tot stand gebracht te hebben, Zich gezet aan de rechterhand van de majesteit in den hoge”) omringen, waar zij dag noch nacht rust hebben, zeggende: “Heilig, heilig, heilig is de Here God, de Almachtige”.
God woont in een omgeving, een atmosfeer, een omhulling van lofprijzing. Lofprijzing en Zijn aanwezigheid hebben iets wederkerigs. Ofschoon God alomtegenwoordig is, kan er niet overal een heilzame invloed van Hem uitgaan. Waar blijde lofprijzing is, dáár is Hij krachtig en zegenend aan het werk. In Psalm 22:3 wordt ons gezegd dat God “troont op de lofzangen van Zijn volk”. Dit betekent, dat waar verering, eerbied en Hem welbehaaglijke aanbidding en lofprijzing gebracht wordt, Hij Zich dáármee vereenzelvigt en vrijelijk Zijn aanwezigheid openbaart. En Zijn aanwezigheid drijft satan altijd uit. Satan kan niets uitrichten wanneer God aanwezig is. Velen weten al jaren dat lofprijzing kracht betekent zonder ten volle te begrijpen waarom. Zou dit niet de verklaring kunnen zijn? Is dit niet een overtuigende reden voor lofprijzing? Om kort te gaan, satan is “allergisch” voor lofprijzing, zodat waar geconcentreerde zegevierende lofprijzing gebracht wordt, satan verlamd, gebonden en uitgebannen wordt. (1)
Daarom is lofprijzing het geheim van een overwinnend geloof. Jakobus heeft gezegd: “Biedt weerstand aan de duivel, en hij zal van u vlieden” (Jakobus 4:7). Aangezien lofprijzing een sfeer schept, waarin God woont, is zij de meest doeltreffende bescherming tegen satan en satanische aanvallen. Omdat de lofprijzing de banvloek over satan betekent, vormt zij de krachtigste verdediging, het meest vernietigende wapen in de strijd tegen hem. Zo verzekert lofprijzing ons van de overwinning in het gebed, omdat satan, de grote tegenstander in de gebedsstrijd het onderspit moet delven.
De betekenis van voortdurende geconcentreerde lofprijzing
De lofprijzing die overwinning schenkt, is niet de incidentele of krampachtige lofprijzing, die heen en weer schommelt, afhankelijk van stemmingen en omstandigheden. Het is een voortdurende lofprijzing, die een roeping, een leefregel wordt.
“Ik wil de Here te allen tijde prijzen, bestendig zij Zijn lof in mijn mond” (Psalm 34:2). “Welzalig zij die in Uw huis wonen; zij loven U gestadig” (Psalm 84:5).
We hebben erop gewezen, dat in de hemel lofprijzing zo’n belangrijke plaats inneemt, dat zij de enige bezigheid vormt van een bepaald soort wezens (Openbaring 4:8). God gaf aan koning David zo’n openbaring over de belangrijkheid en de kracht van de lofprijzing hier op aarde, dat hij volgens het hemels patroon een leger van vierduizend Levieten afzonderde en aanwees met als enige opdracht de Here te leven en te prijzen (I Kronieken 23:5: “vierduizend poortwachters; en vierduizend zullen de Here prijzen op de instrumenten, die ik voor het lofprijzen heb laten maken”). Zij deden niets anders. Eén van de laatste officiële daden van koning David, voordat hij stierf, was de organisatie van een vastomlijnd programma van lofprijzing. Elke morgen en elke avond werd een aantal van deze vierduizend Levieten voor deze dienst aangewezen. “En zij moesten elke morgen en elke avond gereedstaan om de Here te loven en te prijzen” (I Kronieken 23:30). Tot haar schande en nederlaag heeft de Gemeente de betekenis van die Schriftgedeelten over geconcentreerde lofprijzing grotendeels over het hoofd gezien. (2)
Lofprijzing als leefregel
Om de meeste uitwerking te hebben, moet lofprijzing worden tot een solide, voortdurende, vaste gewoonte, zelfs tot dagwerk, tot een naarstig vervulde roeping, een totale leefwijze. Dit principe wordt benadrukt on Psalm 57:8 (S.V.): “Mijn hart is bereid, o God, mijn hart is bereid; ik zal zingen, en psalmzingen”. Deze woorden veronderstellen een weloverwogen en vastbesloten gewoonte van lofprijzing. “Mijn hart is bereid”. Dit soort lofprijzing is afhankelijk van meer dan een tijdelijk gevoel van welbehagen. Het is bekend, dat op het moment dat David deze psalm schreef, hij op de vlucht was voor de toorn van Saul. Zijn loflied berustte op een principe, niet op een opwelling. Het was op meer gebaseerd dan op wisselende omstandigheden of kortstondige gevoelens. Het was lofprijzing waarmee zijn bestaan was doordrenkt. Lofprijzing was bij hem dagwerk geworden, waarin het patroon van de voortdurende, onafgebroken lofprijzing in de hemelse sferen weerspiegeld werd.
Lofprijzing voor alle dingen
Deze opdracht om te loven en te prijzen is niet altijd even gemakkelijk, want lofprijzing komt niet altijd spontaan over de lippen. Het is geen probleem om te prijzen in voorspoed. Het is niet moeilijk te prijzen, als de omstandigheden gunstig schijnen. Het is gewoon om te prijzen voor “goede dingen”. Het is normaal om dankbaar te zijn voor en je te verheugen in succes, voorspoed, goede gezondheid en een goede reputatie. Maar David prees God, toen hij in levensgevaar was. De apostel Paulus zegt, dat men “te allen tijde God, de Vader voor alles moet danken” (Efeziërs 520). Dit slaat dus ook op dingen die pijnlijk en vernederend zijn, en zelfs rampzalig schijnen.
De basis van ononderbroken lofprijzing
Het is vanzelfsprekend, dat het karakter en de betrouwbaarheid van God Zelf de inspiratiebron is voor deze ononderbroken lofprijzing. Als satan zou zijn geslaagd in zijn poging om de Allerhoogste van de troon te stoten, dan zou in plaats van de almachtige liefde, de almachtige zelfzucht op de troon van het universum hebben gezeten. Als satan getriomfeerd had, dan zou al wat leeft, zijn overgeleverd aan de ongenade van zijn almachtige boosaardigheid. In plaats van een hel, die binnen bepaalde perken begrensd is, zou het gehele universum een hel geweest zijn. Maar, prijs God, satan heeft de nederlaag geleden.
NU is er een “hart in het universum”. “De doorboorde handen (van Jezus) houden de raderen van de menselijke geschiedenis in beweging en vormen de omstandigheden van ons persoonlijke leven. Dit is wat David zegt in Psalm 31:16: “Mijn tijden zijn in Uw hand”. Omdat Gods verheven liefde almachtig is, worden allen die bij Hem schuilen veilig bewaard en “de boze heeft geen vat op hem” (I Johannes 5:18). Niets, dat in wezen boosaardig is, kan een kind van God aantasten, omdat Zijn almachtige liefde alle dingen, zowel de “goede” als de “slechte” voor het uiteindelijke welzijn van Zijn geliefde kinderen doet medewerken. Dit omvat ook dat wat onheil schijnt te zijn, zelfs de vergissingen van een gelovig kind van God.
Lofprijzing als offer
Hoe kan iemand lofprijzing nu offeren? In Hebreeën 13:15 vinden we de sleutel: “Laten wij dan door Hem, Gode voortdurend een lofoffer brengen, namelijk, de vrucht van onze lippen”. Wat wordt er met een “lofoffer” bedoeld? Een offer heeft met de dood te maken. In het Oudtestamentische offerritueel werd een dier geslacht. Maar in het “lofoffer” is het eigen ik dat gedood moet worden. Men moet eigen oordeel, eigen mening, eigen waardebepalingen van wat juist en goed is in de dood geven en “God voor alle dingen prijzen”, of die nu “goed”, “slecht” of “geen van beide” zijn. De vrucht van onze lippen. Dit betekent dat het lofoffer onvolledig is, voordat het uitgesproken is. Bijna iedereen was of is nog het slachtoffer van omstandigheden en situaties, die naar zijn oordeel ongelukkig, tragisch of zelfs rampzalig schijnen, toestanden waarin hij niets goeds kan zien, maar alleen onheil. Naar de mens gesproken, kan men onmogelijk inzien hoe daarmee nog enig heilzaam doel gediend kan worden. In zo’n situatie brengt iemand dan een “lofoffer”. Men kan alleen dit “lofoffer” brengen, wanneer de omstandigheden verkeerd schijnen te gaan, want alleen dán wordt men geroepen te sterven aan eigen meningen, keuze en oordeel.
Het geloof waardoor ononderbroken lofprijzing gedragen wordt
Wanneer men een “lofoffer” brengt, doet men dat in het geloof, dat God het goede wil en tevens dat Hij soeverein is, het is het geloof, dat “stil is en wéét, dat Hij God is” (Psalm 46:11). Dit geloof weet dat er niets in het universum toevallig gebeurt. Dit geloof weet dat satan nooit iets verkeerds achter Gods rug kan uithalen, want Hij is de Alziende God. Dit geloof is er zeker van, dat, omdat God soeverein is, Hij in staat is satan uit te schakelen, niet in sommige, maar in alle situaties en problemen, die het boosaardig brein van satan uitdenkt en probeert te scheppen.
Lofprijzing verdrijft het “kwaad” uit iedere situatie
Aangezien in elke situatie al het “kwaad” voortkomt uit satans actieve aanwezigheid en werking en omdat hij “allergisch” is voor lofprijzing, daarom wordt hij door overwinnende, triomferende, geconcentreerde lofprijzing uitgeworpen, zoals dat gebeurde toen hij uit de hemel verdreven werd. Als satan wordt uitgeworpen, verdwijnt het kwaad. Zelfs als de omstandigheden niet veranderen, wordt wel het kwaad eruit gehaald, worden zijn giftanden uitgetrokken en wordt het vergif verwijderd. De situatie wordt er niet altijd door veranderd; maar wél de persoon in kwestie. Omdat de wortel van al onze problemen gelegen is in ons oude ik, is de innerlijke verandering belangrijker dan die van de omstandigheden. Daarom accepteert men door het brengen van een “lofoffer” de stelling dat een kind van God slechts het “goede” kan overkomen, onverschillig hoe “kwaad” het ook mag schijnen. Het weten dat “alle dingen”, het ogenschijnlijk “kwade” inbegrepen, zeker ten goede zullen meewerken, is een brede basis voor een leven van voortdurende lofprijzing.
Lofprijzing voor kanker
Amy Carmichael heeft gezegd, dat de uiteindelijke essentie van een zaak of omstandigheid hem niet zit in de zaak of omstandigheid zelf, maar in iemands reactie daarop. De benauwende situatie gaat voorbij, maar iemands reactie daarop heeft een blijvende morele en geestelijke neerslag in zijn karakter. Het is satans bedoeling dat tegenslag iemand van God verwijderen zal en hem ertoe zal brengen God te veroordelen en Diens motieven, goedheid en rechtvaardigheid in twijfel te trekken. Satan lastert God door te suggereren, dat men door Hem onrechtvaardig behandeld wordt, en dat, als God werkelijk goed en almachtig is, Hij nooit zou toestaan at zo ’n verdriet of ellende ooit één van Zijn kinderen zou overkomen. Wanneer iemand naar deze insinuaties van satan luistert en erop ingaat, en begint te twijfelen en God gaat beschuldigen van onbetrouwbaarheid, dan komt het proces van rebellie en verzet op gang en zijn karakter gaat ontaarden. Dit is wat satan bedoelt, en als hem dat lukt, dan heeft hij gewonnen.
Wanneer in plaats daarvan tegenslag, rampspoed of verdriet iemand dichter bij God brengt, is het gevolg precies het tegenovergestelde. Het aanvaarden van schijnbare tegenslag als uit de hand van een alwijze, liefdevolle, almachtige God, Die de dingen altijd doet medewerken ten goede voor Zijn geliefde kinderen en lofprijzing aan Hem, in het vertrouwen dat niets dat in wezen boosaardig is ooit één van zijn kinderen treffen kan, zijn reacties, waardoor alles wat het meest het karakter van God vertoont, in ons sterker en krachtiger gemaakt wordt. Door deze reactie wordt Gods doel met ons bereikt en dan heeft satan de nederlaag geleden. Tegenspoed heeft dan de gelovige sterker gemaakt in geloof, moed en kennis van God. Daarom kon een vrouw, die door een kwaadaardige ziekte de weg tot God teruggevonden had, triomferend uitroepen: “Ik ben rijk gezegend dankzij kanker”. Het maakt ook duidelijk wat MacLaren bedoelt, als hij waarschuwt: “Verkwist uw verdriet niet,” en wat Watchman Nee verklaart, namelijk dat men slechts door tegenspoed God dieper leert kennen.
Een God die het “kwade”, zelfs de fouten en zonden van een berouwvol kind van Hem kan nemen en door Zijn Goddelijke genade in goud kan veranderen, zodat satan daardoor als door een boemerang getroffen wordt en waardoor het karakter van de gelovige gevormd wordt en tot meerdere glorie van God, is waard om onafgebroken geprezen te worden. Een God met zo’n karakter geeft ons voldoende reden om de volgende aansporing te gehoorzamen: “… dankt te allen tijde voor alles in de naam van onze Here Jezus Christus God, de Vader” (Efeziërs 5:20).
’t Kwaad, dat Hij zegent, is ons goed,
en ongezegend goed is kwaad;
alles is juist wat fout ons schijnt,
Indien Zijn Wil het toelaat. (3)
Dit is de basis voor het geloof, dat niets dat in wezen boosaardig is, een gelovig kind van God kan aantasten (Psalm 91:10: “geen onheil zal u treffen, en geen plaag zal uw tent naderen”).
Lofprijzing – het geheim van geloof-zonder-twijfel
Mevrouw MetCalf heeft de overtuiging, dat dankzegging en lofprijzing de weg openen tot overwinnen in iedere situatie. Dit lijkt nogal wat gezegd, maar ze is zowel logisch als Schriftuurlijk. Aangezien satan de grote hinderpaal is voor effectief gebed, komt de gebedsverhoring stellig door, zodat hij wordt geboden en uit een situatie verdreven. Welbeschouwd is effectief gebed het overwinnen van satans tegenstand tegen de plannen van God. Wanneer in gebed de overwinning niet behaald kan worden, komt dat omdat het zegevierend geloof ontbreekt. En wanneer het geloof niet kan zegevieren, komt dat omdat lofprijzing ontbreekt, onafgebroken, gerichte, strijdvaardige lofprijzing. Lofprijzing is de hoogste vorm van gebed, omdat gebed en geloof hierbij hand in hand gaan. Lofprijzing is de ontstekingsvonk voor geloof, zij is het enige wat nodig is om het geloof te doen uitstijgen boven de dodelijke luchtvervuiling van de twijfel. Lofprijzing is het zuiveringsmiddel, waardoor het geloof gereinigd wordt en de twijfel uit het hart verdwijnt.
Het geheim van verhoord gebed is geloof zonder twijfel (Marcus 11:23: “Voorwaar, Ik zeg u, wie tot deze berg zou zeggen, hef u op en werp u in de zee, en in zijn hart niet zou twijfelen, maar geloven, dat hetgeen hij zegt geschiedt, het zal hem geschieden”). En het geheim van geloof-zonder-twijfel is lofprijzing, onafgebroken, geconcentreerde, zegevierende lofprijzing, die tot een levenswijze is geworden. Deze opdracht van lofprijzing is de oplossing van het probleem van dood geloof en onvruchtbaar gebed.
Aantekeningen
(1) De macht van lofprijzing wordt geïllustreerd door een gebeurtenis die David Wilkerson in één van zijn boeken vertelt. Het verhaal is, dat hij in het begin van zijn werk onder de benden van New York een groep jongens ontmoette op een hoek van een straat. Toen hij naar hen toeging, leek het erop, dat zij hem zouden aanvallen. Hij kwam dichterbij, terwijl hij God om leiding vroeg. Op het moment dat zij in de aanval gingen, klapte David plotseling in zijn handen en riep luid: “Prijs de Heer”! Volgens het verhaal verbrak de bende de gelederen en ging er vandoor. De enige aanvaardbare verklaring voor deze manier van doen is, dat deze jongens door boze geesten werden aangevuurd, die bij de plotselinge uitroep van lofprijzing in paniek raakten.
Maar de geschiedenis, die naar mijn mening alle andere van dit soort in de schaduw stelt betreft een duidelijk bewezen gebeurtenis, die plaats vond bij Holton, in Ripley County, Indiana. Ze werd mij verteld door een oudere vrouw na afloop van een dienst, waarin ik over dit onderwerp gesproken had. Dit geval was haar verteld door een neef van haar man, die in dezelfde plaats woonde en persoonlijk de details kende.
Volgens het verhaal was een evangelist naar de plaatselijke Gemeente gekomen om een reeks evangelisatiesamenkomsten te houden. Om zich voor gebed en meditatie af te zonderen was hij naar een nabij gelegen veld gewandeld. Hij wist niet dat er een gevaarlijke stier in de buurt was, totdat deze tot de aanval overging. Toen hij de stier op zich af zag komen, was het te laat om zich in veiligheid te stellen. Hij wist niet wat hij doen moest en dacht dat zijn einde daar was, maar vlak voordat het woedende dier hem bereikte, schreeuwde hij: “Prijs de Heer”! De stier hield zich in, draaide zich onmiddellijk om en sloeg op de vlucht.
Hoe moeten we zoiets verklaren? De schrijver wijst op de mogelijkheid, dat satan boze geesten erop af gezonden had om het dier ertoe op te hitsen deze man van God aan te vallen met de bedoeling een eind te maken aan de opwekkingssamenkomsten. De luide lofprijzing bracht de boze geesten, die het beest bezet hadden op dezelfde manier in verwarring als de lofprijzing van het zangkoor de boze machten, die de vijanden van Israël opgehitst hadden, in verwarring bracht.
(2) Het is algemeen bekend, dat één van de snelst groeiende delen van de Gemeente van Jezus Christus die groep Gemeenten is, waar men de Pinkstergedachte aanhangt. Men is gewoon in Pinksterkringen deze snelle uitbreiding toe te schrijven aan hun leerstellingen, vooral de nadruk die zij leggen op de glossolalie of het spreken in tongen, dat zij als eerste teken beschouwen van de doop met de Heilige Geest.
Vele buitenstaanders en ook enkelen binnen de beweging hebben hun reserves op dit punt. Maar hoe men hierover ook mag denken, het kan niet ontkend worden, dat de Pinkstergroepen in deze tijd opnieuw de belangrijkheid en de kracht van de lofprijzing ontdekt hebben. Aan de orde van de eredienst met de Gemeentezang, vrij gebed en evangelieverkondiging hebben zij nog een ander even belangrijk onderdeel toegevoegd: een tijd van gezamenlijke aanbidding en luide lofprijzing.
Bijna overal wordt in de loop van de samenkomst (meestal vlak vóór de prediking) speciaal tijd gegeven voor aanbidding en lofprijzing van de Heer. Op een teken, van de voorganger, heft men de handen op en begint men met opgeheven gezicht de Here te aanbidden en te prijzen. Dit is niet iets subjectiefs, geen poging om emotionele extase ter wille van sensatie op te wekken. Maar de objectieve aansporing tot gezamenlijke lofprijzing en aanbidding van Hem, Die alleen waardig is deze te ontvangen, leidt dikwijls tot een overstroming van de Heilige Geest, in één woord een hemelse ervaring, want deze lofprijzing is een echo van de aanbidding van de hemelse scharen rondom de Troon.
Het is het weloverwogen oordeel van de schrijver, dat dit door en door Schriftuurlijke onderdeel van geconcentreerde lofprijzing de oorzaak is van de ontluikende groei van deze beweging, meer nog dan haar leerstellingen. Afgezien van de mening over het spreken in tongen is er niets op tegen, dat welke Gemeente dan ook deze Schriftuurlijke praktijk van geconcentreerde lofprijzing overneemt. De Gemeente in haar geheel zou tot oprecht berouw moeten komen wegens haar tekortschieten om de overweldigende hoeveelheid tekstmateriaal in het Woord over lofprijzing te begrijpen en is God dank verschuldigd voor hem, die Hij gebruikt heeft om dit opnieuw te ontdekken.
(3) Geen slecht nieuws! Iemand heeft gezegd, dat er niet zoiets bestaat als “slecht nieuws” voor een Bijbelgetrouw Christen. Zoiets is slechts een “nieuwe uitdaging voor ons geloof”. Naarmate we geestelijk groeien, kan God ons grotere problemen toevertrouwen. Het is als het ware een “hordenloop”, die we lopen, vanaf onze bekering tot de opname; en als we bidden om overwinning en deze gebeden worden verhoord en we komen zegevierend over de kleinere hindernissen, die satan op onze weg legt, dat staat God hem toe ons met grotere belemmeringen te confronteren; het zijn “Gods horden”, zo u wilt, “op de renbaan van het leven”.
Wie heeft ooit van een atleet gehoord, die bij zijn training voor de hordenloop vraagt om toch alsjebelifet de hindernissen weg te nemen?
God heeft een paar heerlijke beloningen voor de “overwinnaars” beloofd en hoe zouden we ooit overwinnaars kunnen worden, als er niets te overwinnen valt? Laten wij alle toeschouwers (tot de eer van God) tonen dat we geloven, dat de verzen in Romeinen 8:28 (“ Wij weten nu, dat [God] alle dingen doet medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben, die volgens zijn voornemen geroepenen zijn”) en Efeziërs 1:11 (“ in Hem, in wie wij ook het erfdeel ontvangen hebben, waartoe wij tevoren bestemd waren krachtens het voornemen van Hem, die in alles werkt naar de raad van zijn wil”) waar zijn, wanneer we “slecht nieuws” te verwerken krijgen, en laten we God onmiddellijk gaan danken, dat Hij “groot” genoeg, “machtig” genoeg, “liefdevol” genoeg is om deze nieuwe bedreiging in Zijn handen te nemen op zo’n manier, dat Zijn Naam hierdoor nog meer verheerlijkt zal worden, wanneer wij de overwinning behaald hebben (Uit Temple Times, cursief van de schrijver.
9
GEORGANISEERDE ACTIE
“’s Avonds, ’s morgens en ’s middags zal ik bidden, en luide roepen, en Hij zal mijn stem horen”
(Psalm 55:18). Als het lezen van dit boek ons niet inspireert tot een goed georganiseerd gebedsprogramma zowel voor ons persoonlijk leven als voor gebedsgroep en Gemeente, dan is het voor niets geschreven. Het kan satan niets schelen hoeveel er over gebed gelezen wordt, als hij de mensen er maar van kan weerhouden werkelijk te bidden. Als een Gemeente er echt van overtuigd is, dat “gebed daar gevonden wordt waar echt iets gebeurt”, zal zij haar gezamenlijke activiteiten zo moeten organiseren, dat het gebedsprogramma de hoogste prioriteit heeft.
In plaats van de organisatie van gebedsgroepen over te laten aan opwellingen of stemmingen, moet om het gebedsleven tot bloei te brengen het beste organisatietalent, de meest begaafde leider en de grootst mogelijke toewijding van de Gemeente worden ingezet. Tenzij een Gemeente ermee tevreden is in een religieuze tredmolen te lopen zal gebed haar voornaamste bezigheid worden.
De doeltreffendheid van het gebedsprogramma van een Gemeente zal inherent zijn aan de diepgang van het persoonlijke gebedsleven van haar leden. Zonder een diepe toewijding van de kant van de deelnemers kan een gebedsgroep geen grote gebedskracht ontwikkelen.
Wat het zwaarst is, moet het zwaarst wegen
Tijd voor gebed vinden is een kwestie van prioriteiten stellen. We hebben allemaal dezelfde hoeveelheid tijd, namelijk vierentwintig uur per dag tot onze beschikking. Het gebruik en beheer van die tijd hangt af van de waarde, die men aan bepaalde zaken hecht. Dat wat men van het grootste belang vindt, zal men voorop stellen. Bijna iedereen neemt tijd om te eten, te slapen en de gewone dagelijkse bezigheden te verrichten. De meesten van ons dragen de verantwoordelijkheid van werkzaamheden of een beroep, waarmee men geld verdient. De plichten en verantwoordelijkheden van een huishouding en het moederschap nemen ondanks alle moderne gemakken erg veel tijd in beslag. Desalniettemin zal een nauwgezette en juiste tijdsindeling van dagelijks stille tijd en gebed een diepe genoegdoening aan het leven geven.
Georganiseerde prioriteiten
Een week heeft 168 uren. Als men 40 uur aan zijn werk besteedt, blijven er nog 128 over. Wanneer men 56 uur voor slaap uittrekt, blijven er 72 over. Als men 21 uur per week voor de maaltijden rekent, is het saldo 51 uur. Deze handelingen zijn zonder twijfel noodzakelijk; die kan men niet inkorten. Als men van dat “saldo” en minimum van één uur per dag aan Bijbellezen en gebed besteedt, heeft men altijd nog 44 uur over voor onverwachte en niet geplande activiteiten. Ik weet dat deze theoretische en planmatige redenering niet voor huisvrouwen en boeren opgaat. Ik probeer alleen toe te lichten, hoe een gedisciplineerde tijdsindeling en een juist stellen van prioriteiten, het mogelijk maken om op zijn minst een minimaal gebedsleven te leiden. Zij die niet in staat zijn om te werken, of mensen met pensioen, hebben tijd en gelegenheid om van gebed en voorbede de voornaamste opdracht van hun leven te maken.
Een gebedsbibliotheek
Iedere plaatselijke Gemeente of groepering moet vaststellen hoe het karakter en de vorm van haar gebedsprogramma zal zijn. In welke vorm dan ook moet het de voornaamste taak van de Gemeente zijn, zowel individueel als in groepsverband. Iedere Gemeente zou een bibliotheek moeten opbouwen van de beste en meest bekende werken over het gebed. Er zijn veel goede boeken over dit onderwerp, maar slechts enkele die men wel klassiek zou kunnen noemen. Die van E.M. Bounds behoren tot de allerbeste. “Quiet Talks on Prayer” van S.D. Gordon, “Het leven en dagboek van David Brainerd”, “De biddende Hyde”, “Het gebed van een Christen” zijn slechts enkele van vele waardevolle boeken. Deze en andere zouden onder de deelnemers van de gebedsgroepen moeten circuleren, zodat zij allen trouwe lezers van dergelijke werken zouden kunnen worden.
Aanwijzingen voor een gebedsplan
In ieder behoorlijk gebedsprogramma is de wekelijkse bidstond slechts een beginpunt. Daarnaast zouden gebedsgroepen aan huis moeten komen; waar de tijd nauwgezet voor gebed gebruikt wordt. Er zijn verschillende mogelijkheden zoals vrouwengebedskringen, gebedsgroepen voor mannen, gebedssamenkomsten voor jonge volwassenen en voor leerlingen van de middelbare scholen tussen de middag. Sommige groepen kunnen vroeg in de morgen voor het werk al samenkomen, andere halverwege de morgen of tussen de middag, enzovoort, terwijl men ook de nacht of een halve nacht hieraan kan besteden. Als het niet doenlijk is om iedere week een gebedsnacht te houden, zou men om te beginnen kunnen voorstellen dit eens in de maand te doen. Beter is het om in het klein te beginnen en dat vol te houden en later uit te breiden dan zich meteen te storten in een zwaar programma en daarmee verder te blijven doorsukkelen. Men zou ook een wekelijkse dag van gebed en vasten kunnen houden, of tenminste eenmaal per maand. Bijna iedere Gemeente kan eens per week of eenmaal per maand een gebedsketen vormen, waarin verschillende personen één uur van de dag en/of de nacht bidden. Sommige Gemeenten zijn groot genoeg om een voortdurende gebedsketen te onderhouden, de klok rond, gedurende de hele week. De Moravische Broederschap (de Evangelische Broedergemeente, noot vert.), door Graaf von Zinzendorf gesticht, heeft zonder onderbreking gedurende honderd jaar een gebedsketen dag en nacht gaande gehouden. Dit was het begin van de moderne gebedsbeweging.
Bij een doeltreffend gebedsprogramma behoort ook een gebedslijst, die door de voorganger wordt samengesteld en voortdurend bijgehouden en die voor ieder lid van de gebedsgemeenschap beschikbaar moet zijn.
Elke Gemeente moet Gods leiding zoek voor haar eigen situatie en omstandigheden. Laten we goed onthouden, dat slechts wat in gebed en geloof bereikt wordt, echt is en waarde heeft. Al het andere is schijn en werkt frustrerend en misleidend, als het vechten tegen windmolens en het lopen in een tredmolen. Gebed wordt daar gevonden waar echt iets gebeurt. Laat u daarom mobiliseren voor de gebedsstrijd!
Bron: Bestemd voor de Troon, Paul E. Billheimer.
Reacties
Een reactie posten