GOD GEEFT WAT HIJ BEVEELT!


Luister, Israël!...u zult de HEERE, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw kracht”

(Deuteronomium 6:5).

De HEERE, uw God, zal uw hart en het hart van uw nageslacht besnijden, om de HEERE, uw God, lief te hebben met heel uw hart en met heel uw ziel”

(Deuteronomium 30:6).


Toen één van de Schriftgeleerden aan Jezus vroeg: “Wat is het eerste van alle geboden?” antwoordde Jezus:

Luister, Israël! De Heere, onze God, de Heere is één. En u zult de Here, uw God, liefhebben met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand en met heel uw kracht”

(Markus 12:28-30).

Deze zinnen vormen de kern van wat God verlangt van Zijn volk, zowel in het Nieuwe als ook in het Oude testament.

1. God geeft ons Zijn God: heb God lief.


Als wij dit eerste gebod lezen, komt bij ons onmiddellijk de vraag op: Hoe kan God liefde verlangen als een plicht? Wij kennen liefde als een emotie die er ofwel is of gewoon niet is. Ze kan niet worden afgedwongen of geëist. Of wel?
In de context van de tijden en de cultuur waarin God spreekt tot Zijn volk Israël, ging het echter niet alleen om een emotionele liefde , maar vooral om liefde om rationele redenen in de zin van eerbied en loyaliteit. Want God had Zijn volk tenslotte heel veel redenen gegeven voor liefde en dankbaarheid. Als iemand er ooit blijk van heeft gegeven, lieflijk te zijn, dan God wel! Dat werd vooral duidelijk door Zijn onvoorwaardelijke genade waarmee Hij Israël had verkozen uit alle andere volkeren. Maar ook door Zijn trouw dat Hij hen ondanks alle ongehoorzaamheid niet had verlaten en niet op de laatste plaats door Zijn erbarmingen waarmee Hij hen altijd weer rijk zegende. Echter ook onafhankelijk van al deze handelingen was, is en blijft God in Zijn volkomen, wonderbaarlijke en heilige Wezen buitengewoon lieflijk.
Ook in onze cultuur is het niet vreemd dat men liefde verlangt. Een voorbeeld is de relatie tussen ouders en hun kinderen. Ik ben er zeker van dat praktisch iedereen er in principe van uitgaat dat kinderen de plicht hebben om hun ouders lief te hebben. (Ook al zijn er inderdaad bijzonder zware uitzonderingen, maar het principe is toch duidelijk.)

Hoeveel te meer moet dat gelden voor onze liefde voor God, onze Schepper. Helaas weten we niet alleen uit het voorbeeld van Israël dat alle uiterlijke bewijzen van genade van God helaas zonder effect blijven, zo lang ze terechtkomen in een ‘onbesneden’, verduisterd hart (vgl. Romeinen 2:29; II Korintiërs 3:14).

Psalm 78 laat ons op een schrikbarende eerlijke manier zien dat Israël meestal alleen werd aangedreven door de wens naar een verbetering van de uiterlijke omstandigheden – de bevrijding van vijandelijke buurvolkeren – en niet door de liefde voor God.
God zegent Israël, Israël keert zich af van God, God straft Israël door vijandige aanvallen, Israël schreeuwt naar God, God zegent en verlost Israël, Israël keert zich van God af enz. Het feit dat God op Zich lieflijk is, was niet voldoende. De wens om Hem Zelf te ontvangen en niet de betere omstandigheden, was gewoonweg niet aanwezig (vgl. Psalm 107).

Dit was echter geen exclusief ‘Israël-probleem’ maar het hoort bij de zondige natuur van de mens – zonder uitzondering (vgl. Romeinen 3:11). Sinds de zondeval van onze eerste ouders zijn wij bij machte om God of andere mensen zo lief te hebben als God het van ons verlangt (vgl. de vermaning van Jezus in Matteüs 5:44-48). Daarom veroordeelt God de mens ook terecht, “want zij hebben, hoewel zij God kennen, Hem niet als God verheerlijkt of gedankt” (Romeinen 1:21).

Is het feit dat God van ons liefde verwacht dus vervallen? Heeft God deze geboden alleen gegeven, heeft Jezus ze alleen maar benadrukt opdat wij nog duidelijker onze onvolmaaktheid herkennen, wij gefrustreerd zijn en elke poging staken om ze na te leven? Nee, want wie op God hoopt, die krijgt van Hem, wat Hij van ons verlangt.

2. God geeft ons, wat Hij beveelt: in Zijn Zoon en in zijn Geest.


De bekende Kerkvader Augustinus schreef in zijn Belijdenissen:

En heel mijn hoop is alleen gevestigd op Uw (Gods) overgrote barmhartigheid. Geef wat U beveelt en beveel wat U wilt” (Belijdenissen 29:40).

Met deze hoop had Augustinus helemaal gelijk. God geeft ons niet alleen het eerste gebod, Hij Zelf vervult het aan ons en in ons. Dit wonder heeft Hij al aangekondigd in Zijn wet. Want terwijl Hij in Deuteronomium 6 van ons verlangt:

U zult de HEERE, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw kracht”

geeft Hij in hoofdstuk 30 de belofte:

De HEERE, uw God, zal uw hart en het hart van uw nageslacht besnijden, om de HEERE, uw God, lief te hebben met heel uw hart en met heel uw ziel” (Deuteronomium 30:6).

God verlangt niet alleen van ons dat we Hem liefhebben. Hij Zelf schenkt ons Zijn liefde. Hij Zelf geeft ons dat wat Hij van ons verlangt – en wel in meerdere opzichten.


God schenkt ons Zijn Zoon.


Ten eerste schenkt God ons Zijn liefde doordat Hij Zijn Zoon voor ons gaf om voor ons te sterven.

God echter bevestigt Zijn liefde voor ons daarin dat Christus voor ons gestorven is toen wij nog zondaars waren”

(Romeinen 5:8).

Het offer van Christus doordat Hij mens werd, geleden heeft en gestorven is, maakt duidelijk dat God ons liefheeft met heel Zijn hart, heel Zijn ziel en heel Zijn kracht. Hij Zelf is de volkomen Liefde: “Niemand heeft een grotere liefde dan deze, namelijk dat iemand zijn leven geeft voor zijn vrienden” (Johannes 15:13). Maar Jezus gaf ons het grootst mogelijke bewijs van liefde toen Hij Zijn leven gaf voor Zijn vijanden zodat zij Zijn vrienden zouden worden. Terwijl de wereld twijfelt aan de goedheid en Liefde van God, zou één blik naar het Kruis voor elke Christen genoeg moeten zijn om elke twijfel weg te vagen en hem te vervullen met dankbaarheid en vertrouwen. En wel ook dan als de uiterlijke omstandigheden iets anders beweren.


God schenkt ons Zijn Geest.

Ten tweede schenkt God ons Zijn Liefde doordat Hij Zijn Heilige Geest in onze harten heeft gegeven.

Omdat de liefde van God in onze harten uitgestort is door de Heilige Geest, Die ons gegeven is” (Romeinen 5:5).

Door Hem worden wij in staat gesteld om God lief te hebben en Zijn geboden na te leven – ook al is dat (in dit leven) altijd nog met gebreken en in zwakte. Voor iemand die door Gods Geest vernieuwd werd en Gods Heerlijkheid onderkend heeft, is de liefde voor God een natuurlijke reactie hierop. De apostel Johannes schrijft:

Hierin is de liefde van God aan ons geopenbaard, dat God Zijn eniggeboren Zoon in de wereld gezonden heeft, opdat wij zouden leven door Hem. Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons heeft liefgehad en Zijn Zoon als verzoening van onze zonden”.


En de conclusie daaruit luidt:

Geliefden, als God ons zo liefhad, moeten ook wij elkaar liefhebben” (I Johannes 4:9-11).

Het grootste gebod moet daarom voor ons Christenen noch lichtvoetige romantiek, noch overbelasting zijn. Ik wil afsluiten met enkele vragen:

Ben ik er mij van bewust dat God in Zichzelf al enorm beminnelijk is, dat Hij alle eer, mijn hele liefde en mijn gehoorzaamheid verdient?
Ben ik ertoe bereid om ook dan op Zijn liefde te vertrouwen als de uiterlijke omstandigheden mij iets anders zeggen?
Is het grootste gebod voor mij een dagelijkse herinnering aan het feit dat ik zonder Gods ingrijpen nog altijd Zijn vijand zou zijn?
Verwonder ik me over het grote wonder dat God Zijn Liefde in mij heeft uitgestort doordat Hij Zelf mijn hart herschapen heeft
en er in is komen wonen?
En als ik mij van al deze dingen bewust ben, wat weerhoudt me dan om mijn naaste lief te hebben, ook als diegene mij leed berokkend heeft?
Laten we daarom dagelijks tot God bidden: “Heer, geef wat U beveelt en beveel wat U wilt”.


Bron: De Stem Benjamin Schmidt februari 2020



------------------------------




Reacties

Populaire posts van deze blog