DE BERGREDE


TE MOGEN VERSTAAN


ALS


DE WEG EN DE WAARHEID EN HET LEVEN


JOHANNES 14:6


C.J.H.THEYS

DE BERGREDE


DEEL II



KORT WOORD VOORAF


De studie die u nu kunt lezen, is het vervolg, het tweede deel van DE BERGREDE.

In dit tweede deel hebben wij de uiteenzetting voortgezet; het zesde hoofdstuk van het Evangelie baar Matteüs is thans aan de orde.

Wij verwachten ook ditmaal, dat u zult opmerken, hoe wijzelf telkens weer geboeid raakten, som wijlen zelfs pijnlijk getroffen, door het vele dat in dit hoofdstuk op ons afkwam.


De gehele bundel, zowel het eerste deel als het tweede, houdt hetzelfde onderwerp in, beide delen vormen in feite één boek. Wie biddend leest en alzó luistert, zal ontdekken, dat wij allen mogen geloven, dat het straks alles anders zal zijn.
Maar òòk , dat het hele Christen-leven NU AL VERANDEREN KAN. Dat wil zeggen: dat het in dit aardse leven nú reeds anders kan (zijn) met ons.

De uitdaging in Jezus’ Bergrede ligt in het feit, dat Hij Zijn discipelen niet alleen héél serieus neemt, maar bovenal, dat Hij de Zijnen aanspoort om òòk waar te maken, datgene wat Hij van hen verwacht.
Laten wij ernaar streven om zijn vertrouwen niet te beschamen. God helpe ons allen. Amen.


C.J.H. Theys


GODSVRUCHTIGE HANDELINGEN BEHOREN:

IN WAARHEID TE ZIJN

IN STILTE TE GESCHIEDEN

EN ZONDER OPHEF.


“Hebt acht, dat gij uw aalmoes niet doet voor de mensen, om van hen gezien te worden; anders zo hebt gij geen loon bij uw Vader, Die in de hemelen is” (Matteüs 6:1-8).


Als Jezus deze woorden spreekt is het om ons te leren als “grote mensen met verantwoordelijkheidsgevoel” te leven uit het ware geloof en de liefde. Het is ons gegeven om ons verstand te gebruiken; om zelf uit te vinden wáár en hoe wij royaal kunnen zijn in gerechtigheid. Zó in alle verhoudingen die er in het leven zijn. Juist omdat het allemaal zo anders is dan wat wij aanzien voor Christelijk geloofsleven…

Juist omdat het niet gelegen is in het niet zuiver alles wéten; niet in het fatsoen van de zo netjes als eendjes achter elkaar lopende mensen die toch (ieder op zijn beurt) het zijne weten te geven, menende, dat het zó wel goed moet zijn; niet in de dwang van te laten en te moeten, gebonden aan heersende moraal en vaste regels; ook niet in het krampachtig vasthouden en blindstaren aan en op dingen en zaken, omdat vrees gekend wordt, dat anders de hemel verloren gaat.

Neen, zó is het niet; en gelukkig maar. Wat Jezus bedoelt komt neer op: geven uit de overvloed van wat mij en ù en òns allemaal is gegeven. Dus feitelijk méér geven dan nodig is? Ja, zó is het; daar komt het op aan. Alléén zo blijft het altijd iets boeiends, iets imponerend om met Jezus’ woorden aan de gang te gaan.

Natuurlijk alléén vanuit het geloof. Maar, zijn wij geneigd te zeggen, wij hebben ook nog de harde werkelijkheid. Inderdaad, die harde, keiharde werkelijkheid…
Situaties, verhoudingen, mogelijkheden en onmogelijkheden zoals Jezus die ziet en bedoelt.

Allemaal dingen en zaken waartegen wij optornen; en dat kan behoorlijk pijn doen ook! Wie van ons durft te zeggen dat hij lééft uit die royale gerechtigheid; ja dat hij kans ziet daaruit te léven. Ook al zegt iedereen: dat kan niet, dat moeten wij dan maar niet doen!


Ach, beste mensen! Vergeten wij niet, dat “goede daden” alleen maar die zijn, welke gedaan worden terwille van God en uit onbaatzuchtige liefde en barmhartigheid! Dat het leven voor sommigen onder ons, bijzonder hard kan zijn; zelfs dikwijls onbegrijpelijk hard. Soms is daar de eigen ervaring; maar meestal wéten wij dat uit wat wij zien en horen uit het leven van anderen.

Maar welke die mensen ook zijn, en hoe omstandigheden zich ook voordoen, toch geldt altijd: ijdelheids-beweegredenen, òf de verborgen overweging “hoe weldadig goed en mild God of mensen ons wel zullen vinden”, en vooral de eigen voordeel-berekening, dat (als wij anderen helpen, zij als de nood aan de man is, op hùn beurt naar òns zullen omzien) maken, dat de waarde van het geven ijdel blijft in Gods ogen.

Mensen, die de ware liefdadigheid omdragen in hunne harten, zullen altijd trachten om zoveel mogelijk in het verborgene wel te doen. Zo iemand zal zichzelf beschaamd gevoelen bij de gedachte, dat anderen hem zouden prijzen voor zijn weldaden. En vooral, omdat hij al wat hij bezit aan roerend en onroerend goed niet eens voelt als zijn persoonlijk eigendom,...Bestemd alleen voor eigen gebruik en genot; maar als door God hem toevertrouwd, om daarmede, als de omstandigheden zich voordoen, anderen te kunnen helpen! Dat bedoelt Jezus. Amen.


“Wanneer gij dan aalmoes doet, zo laat voor u niet trompetten, gelijk de geveinsden in de synagogen en op de straten doen, opdat zij van de mensen geëerd mogen worden. Voorwaar zeg Ik u: zij hebben hun loon weg...Laat uw linkerhand niet weten, wat uw rechter doet” (Matteüs 6:2-3).


Géén ophef a.u.b.! Oòk geen zelf-tevredenheid vanwege onze offervaardigheid. Géén melding maken tegenover de buitenwereld, maar ook géén vage opmerkingen tegenover onze naaste omgeving! En met dit alles staan wij nu midden in de zaak, die nu aan de orde is…

Hier is nu de grote vraag: waarvoor leven wij eigenlijk, en waarvoor doen wij de dingen die wij doen? Wat zit er achter ons denken en doen,...wanneer wij zo vriendelijk mogelijk willen zijn voor onze medemensen? Want, laten wij eerlijk zijn, al deze dingen kosten al moeite genoeg!

Wie nu een blik slaat in de levensspiegel van de Bijbel, die komt tot deze conclusie: daar zit van alles achter,...niet in de laatste plaats, dat wij wat willen zijn,...dat wij wat willen betekenen in de ogen van anderen,...dat wij zo graag erkend willen worden en de kroon willen krijgen, die wij onszelf waard vinden,...die ons dus toekomt.

Hiervoor worden wij gewaarschuwd. “Opdat uw aalmoes in het verborgen zij; en uw Vader, die in het verborgen ziet, die zal het u in het openbaar vergelden”. De mens, die inderdaad véél in stilte, in het verborgene doet, wèl-doet en opoffert, is hij, die véél voor anderen bidt en hen meegeeft van de genezende en immer sterkende kracht, die God Zijn kinderen schenkt.

Zo iemand leert vanzelf bescheidenheid, omdat hij lééft in het volle besef, dat wij, door genade verloste zondaars, uit onszelf machteloze armen zijn die steeds weer opnieuw moeten vragen om meerdere genade om te kunnen (blijven) geven; en dat er geen verdienste is om door te geven wat wij ontvangen. En dat wij alleen dan de vervulling van onze gebeden verkrijgen, als er in ons een diep verlangen leeft om de onuitgesproken noden van anderen te helpen lenigen. Halleluja! Het is immers alles genade.

Hoe anders kan het soms in de praktijk toegaan…
Die typen van mensen zijn ons bekend genoeg: mensen die met bijpassende gezichten en op een bijpassende toon steeds maar weer hun verdriet en moeilijkheden etaleren,...hoe zwaar zij het wel hebben, en hoe flink zij zich toch weten te gedragen,...Wat die buurman wel zei en hoe die kennis hen heeft bewonderd. Ach ja, “zó zijn nu eenmaal onze manieren”. Ongelukkig is hij, die naast zo iemand komt te zitten...in de tram, in de bus, in de trein, en noem maar op. Mensen, die urenlang over zichzelf kunnen blijven praten...het enige onderwerp, dat (hun) ook nooit verveelt. Hun denken en hun doen is er op gericht: de mensen moeten het vooral zien en wéten: zie je, zó ben ik nu; zó zijn wij...Bekwaam hé en onmisbaar; weliswaar te beklagen, maar toch flink,...zien jullie mij, ons, wel!?

Wie zou niet graag gezien willen worden? Dat de mensen merken wat wij wel deden of doen, en wat wij zo al kunnen? Dat aandacht-trekken is aan niemand vreemd, al gaat meestentijds alles vaak geraffineerder en ook subtieler! Vele Christenen willen graag doen wat ze willen, maar het liefst op voorwaarde, dat het gezien, erkend en gewaardeerd wordt. Hoe vaak kijken ze dan niet om zich heen, en denken bij zichzelven:...zien ze het wel, doe ik het niet voor niets? Want, zonder kroon heeft het weinig zin?
En dan zijn er soms tijden, dat wij door de mand vallen .Hoe en op welke manier dan?!? Wanneer wij iemand een dienst bewezen hebben, maar waarvoor dan niet wordt bedankt. Hoe diep gekrenkt kunnen wij ons dan wel gevoelen,...en toch zeggen wij dan zo dikwijls: kijk nu eens, daarvoor deed ik het niet hoor, maar…

Wij zijn bereid anderen te helpen, maar worden boos, als die anderen zich helemaal niet dankbaar, deemoedig, afhankelijk gedraagt, en alles zo maar accepteert.

O! hoe houden mensen soms van “maskers”,...en die zetten ze dan nog op ook. Als er iemand was, die dat doorhad, dan was het wel Jezus. Als géén ander doorzag Hij het hele spel, en menigmaal stelde Hij het aan de kaak. Achter al die (zogenaamde) menslievendheid, zag Jezus dat altijd weer opwellende egoïsme; achter al die (zogenaamde) dienstvaardigheid ontdekte Hij de eerzucht; achter overdreven godsdienstigheid zag Hij verregaande liefdeloosheid; achter al die mooie menselijke gevels,...wit gepleisterde façades, zag Hij de realiteit van het menselijk hart. HIJ – DE HARTENKENNER!

Om de waarheid hebben de mensen Hem gehaat. Jezus in Zijn tijd had de mensen door,...Hij keek door hen heen, zij waren voor Hem naakt en geopenbaard. Scherp waren Zijn woorden toentertijd. Hij heeft nog geen tittel, nog geen jota terug genomen. Hier gaat het over drie zeer belangrijke dingen in het leven: over GEVEN, over BIDDEN, en dan over VASTEN. Drie dingen waarin vele mensen onophoudelijk bezig zijn met dat Koninkrijk van God,...met het doen van gerechtigheid. Hier laat Hij zien, hoe (op welke manier) alles misbruikt wordt en wordt aangewend ten bate van het eigen koninkrijk,...voor de eigen kroon. Wat een stuitende toestanden, en wat een hemeltergende vertoning in die dagen van de Here!

Zou het nú anders zijn? Zijn mensen en tijden heus veranderd? Wie zoiets durft te beweren, die kent zichzelven niet. Jezus vraagt, ja, Hij zoekt mensen, die als stille schenkers door de wereld niet worden opgemerkt; die met hun goede gedachten, geleid door de Heilige Geest, met hun warme liefde-gevoelens en hun hartelijk, versterkend opbouwend woord, een bron van zegen zijn voor armen en lijdenden,...om Jezus’ wille.

Geprezen zij de Naam des Heren!


(wordt vervolgd)


Reacties

Populaire posts van deze blog

Inleiding